Als je terugdenkt aan je kinderjaren, aan je peuter- en kleuterjaren, aan je beginnende lagere schooltijd, merk je direct hoe eenvoudig alles geregeld was en hoe alles volgens een rustig verloop van de dag zich afspeelde. Het opstaan, ontbijten, naar school gaan, het warme eten, het middagdutje, ’s middags spelen, het avondbrood, ’s avonds slapengaan – voor alles werd gezorgd in een vast ritme. De omgang met vader en moeder, broertjes en zusjes, opa en oma, familie, vrienden, kennissen was veilig en beschermd. Er was thuis, er waren buren, vriendjes, er was school en de heilige mis in de kerk, de jaarfeesten, de rustige avonden, de weekenden en de lange zonnige vakanties vooral in de zomer. Alles werkte zo aan je opvoeding om je op een veilige en zuivere manier groot te brengen, zodat je later in het bestaan een plek zou gaan vinden die bij je paste. Ieder mens, waar die ook opgroeit, in gezegende of minder gezegende omstandigheden, beleeft zijn vroege kinderjaren als een onschuldige tijd, omdat het kind onschuldig is.
Hier zou je kunnen spreken van een reinheid of zuiverheid in de zin van een onaantastbare onschuld. Die onschuldige reinheid is de eerste drie jaar het sterkst aanwezig. Bij een toenemend ontwaken van het bewustzijn in de puberteit en later bij het ontstaan van het zelfbewustzijn in de volwassenheid raakt deze reine onschuld op de achtergrond of zakt zelfs geheel weg in de diepte van de ziel. Het lijkt wel alsof die onschuldige reinheid een soort Wezen is dat bij het toenemende bewustzijn steeds meer op de achtergrond raakt en een toeschouwersrol aanneemt, wel met je meeleeft, maar nooit op de voorgrond treedt. Soms, in moeilijke of ook bijzondere levensomstandigheden, kan dat wezen opeens als een gouden inval, een gewetensstem of een waarschuwing in je opkomen, dan laat die toeschouwer zich toch weer even duidelijk horen. Als je door het leven, door je schoolopleiding, je beroepsopleiding of universiteit alles geleerd en opgedaan hebt wat je nodig hebt om een bestaan in deze wereld op te bouwen en je volledig in je baan en je gezin opgaat, ben je je onschuldige kindertijd vergeten. Maar diep weg leeft in ieder mens nog steeds die kiem van het beginnende kinderleven.
Van de grote heilige Franciscus van Assisi werd gezegd dat hij vast geloofde in de goedheid van ieder mens. Franciscus hield dat vol in al zijn ontmoetingen.
Waarom is de mens goed?
De mens is goed omdat hij uit het goede opgebouwd is. Uit de eerste drie jaren van zijn leven is het leven van de mens gebouwd. Daar ligt zijn wezenlijke uitgangspunt als een fundament voor zijn bestaan.
Ik denk dan aan Simon Petrus, de apostel tegen wie de Heer zegt: ‘Op deze steenrots zal ik mijn kerk bouwen.’ Je kunt dit uiterlijk materieel opvatten, maar in figuurlijke zin heeft het een diepere betekenis. De eerste drie jaar doorstralen het verdere leven naar de vorm en uitvoering. Als we die eerste drie jaar nader bekijken zien we, dat je in die tijd als mens iets van bijzonder niveau ontwikkelt dat in het latere leven niet meer tot stand komt. De mens bouwt als het ware actief aan een blijvende tempel met een soort zuilen en koepels. Als de kleine baby, vlak na de geboorte, alleen nog maar ligt en slaapt en maar af en toe wakker is, ontwikkelt het na enkele weken al bewegingen zoals het optillen van het hoofdje, het grijpen van de handjes en het omdraaien. Aan het einde van negen maanden, naar het eerste jaar toe, begint het kindje zich al een beetje op te trekken. Rond twaalf maanden wil het proberen te gaan staan en komt het moment waarop het ook losstaat en tenslotte los kan gaan lopen. Vervolgens komen rond anderhalf jaar de eerste woordjes, andere dan mama en papa, en in de periode daarna blijkt steeds meer dat de woordjes en handelingen van anderen begrepen worden. Daaruit kun je opmaken dat het denken zich begint te ontwikkelen.
In alle schoonheid zien we bij het pasgeboren kind tot drie jaar het verloop van het oprichten, staan, lopen, spreken en denken zich ontwikkelen. Rond het derde jaar komt het moment dat het kind ik gaat zeggen en zich onderscheidt van de omgeving.
Als dit fundament gelegd is kan de verdere ontwikkeling daarop worden opgebouwd. Het fundament is een soort ondergronds, onder de oppervlakte zich bevindend, wezen dat de mens tijdens zijn gehele leven ongemerkt richting en bestemming geeft.
Het sprookje van de groene slang en de schone lelie van Goethe geeft hiervan een prachtig beeld. De groene slang vindt goudstukken in een bergkloof en door deze op te eten begint zij licht af te geven. Zij kruipt door de kloof in een onderaardse grot en ziet daar in een tempel vier levensgrote beelden die de gestalten van koningen hebben. De vier beelden bestaan uit een gouden koning, een zilveren koning, een ijzeren (eherne) koning en daarnaast nog een gemengde koning van goud, zilver en ijzer door elkaar heen. De drie koningen van goud, zilver en ijzer zijn de drie ongemengde krachten van de ziel die tot het derde jaar in het kind werken in het oprichten, lopen spreken en denken als zuivere krachten van denken, voelen en willen.
Na het derde jaar treedt er een menging van deze drie krachten op, zoals Goethe dit laat optreden in de vierde koning. De drie zuiver ongemengde koningen blijven in de onderaardse grot achter om uit het verborgene te werken, of om mogelijk later in het leven gewekt te worden.
Met de vierde gemengde koning treden we in het leven na het derde jaar binnen. Deze gemengde koning past bij de buitenkant van de rots. Op die buitenkant van de rots bouwde Simon Petrus zijn kerk. De rots is het beeld voor de harde buitenkant, de abstractie van het denken. De rots is de afspiegeling van de werkelijkheid van het denken.
De werkelijkheid die stil in de diepte woont wordt pas gewekt wanneer de mens het besluit neemt om zijn denken te gaan onderzoeken en zich de vraag stelt: Wat is het denken eigenlijk? Alles in het uiterlijke leven wordt waargenomen door de zintuigen, maar zoals het eigen gezicht niet kan worden waargenomen zonder spiegel, is het voorstellingsleven ook een spiegeling van wat aan denken eronder ligt, en dat niet wordt gezien.
Zo beschrijft de filosoof Plato mensen die in een grot zitten en daar bewegingen op de muur van de grot waarnemen en niet merken dat deze bewegingen projecties zijn van echte bewegingen achter hun rug.
Dit is een beeld voor de voorstellingen die veroorzaakt worden door het daar onder liggende werkelijke denken.
Willen we het denken zelf waarnemen en bij de werkelijkheid ervan komen, moeten we van Petrus naar Johannes gaan. We zoeken hem die door de Heer zelf uit het graf werd opgewekt: Johannes.
Hij, Johannes, neemt het Wezen van het denken, voelen en willen mee omhoog boven de abstractie van de rots uit. In het sprookje van Goethe treedt een ridderlijke jongeling de tempel binnen, nadat hij de dood heeft overwonnen, die hij moest ondergaan door de aanraking van de schone Lelie, die de zuivere Geest is. Hij ontvangt het zwaard, de scepter en de kroon van de eerste drie koningen en beschikt hiermee over een zuiver willen, voelen en denken. Hierna zakt de vierde gemengde koning van de abstractie in elkaar. De jongeling heeft nu de kracht ontvangen om in zuivere liefde zich met de schone Lelie te verbinden. Hij kan haar (de Geest) nu aanraken.
‘De liefde heerst niet maar zij vormt’, klinkt er dan.
De slang (de lagere ik-wil) offert zich door zich als brug over de rivier uit te strekken, die ligt tussen de aarde en de geestelijke wereld.
De tempel rijst omhoog naar boven de aarde en zo worden denken, voelen en willen op een hoger geestelijk vlak getild.
Bij het abstracte denken – je kunt ook zeggen: de gedachte geest – kunnen we al wel spreken van een rein denken, omdat het zich houdt aan de wetmatigheden van de wiskunde, wetenschap of filosofie. Dit heeft echter geen leven in zich. Het is dood en onbeweeglijk, het is een schaduwrijk zonder licht en leven. Het heeft bovendien de hersenen van het lichaam nodig om te kunnen denken en is daardoor gebaseerd op de natuur en kan begrippen over de dode natuur vormen. Maar van het leven weet het niets, dat kan het niet begrijpen.
Maar net zoals het voor de prins, die de opdracht in een sprookje krijgt om een berg met een glazen schepje af te graven, een onmogelijke opgave is en er dan geestelijke hulp moet komen om dat toch te kunnen, zo moet er ook hulp komen op de grens van de onmacht om dit dode abstracte passieve denken om te vormen in een levend werkend actief denken.
Die hulp ligt verborgen in de krachten van de wil, waar ook de moraliteit leeft. De wil kan worden opgetild naar het denken. De wil die in duisternis leeft wordt naar het licht gebracht en dat geeft het denken een stevige substantiële morele kracht. Deze denk-wil overwint de vluchtige voorstellingen en wordt tot inhoud van het denken, zodat het denken puur denkende kracht wordt, zo substantieel dat het waarneembaar wordt en tenslotte ook beweeglijk wordt. Dit levende denken kan het leven kennen, in plant, dier en mens en ontwikkelt de wetenschap van het leven omdat het zelf leven geworden is. Het verbindt de natuur met het leven en de moraliteit.
Hoe brengen we dit dan tot stand?
Het denken heeft een aanzet, een inzet nodig om actief te worden. In het gewone bestaan of het wetenschappelijke werk is de uiterlijke inhoud van het denken de aanzet. In het reine levende denken denkt het denken zichzelf door de wil op het denken te richten. Het meest onopgemerkte in het denken is het denken zelf. (1) De aandacht wordt nu verlegd van de inhoud van het denken naar het denken zelf Het denken zelf wordt inhoud. Dat is een waarnemen en denken van het denken tijdens het denken. Je zet je denken in gang met een zintuigvrije denkinhoud en je gebruikt je innerlijke wilsinzet om voortdurend geconcentreerd bij de inhoud te blijven. Hierdoor voeg je de wil bij het denken. Dat geeft kracht in het denken. Je doet de inhoud van het denken vervolgens weg en je houdt het pure reine denken over, dat gewild is. Je aanschouwt met je denken het denken als willend denken. Je aanschouwt denkend de activiteit van het denken zonder inhoud. De mens leeft in dit denken in de actualiteit. Dat wil zeggen dat het zo reëel beleefd wordt zoals je de uiterlijke wereld beleeft en dat het denken zich uitsluitend bezighoudt met het denken zelf. Zoals de spier zichzelf versterkt door regelmatige aanspanning van de spieren, zo versterk je het denken door, met behulp van concentratie, wil in het denken te brengen. Dit denkend aanschouwen van het zuivere willende denken kun je vervolgens met het gevoel beleven als een werkelijke belevenis. Al deze innerlijke denk- ,wils- en gevoelsbewegingen zijn in de meditatie goed te vervolgen. (2)
Het denken is ziende geworden, gaat staan voor zichzelf, spreekt voor zichzelf en begrijpt zichzelf. (3)
De drie krachten van het kind tot het derde jaar zijn vanuit de onzichtbare achtergrond openbaar geworden.
Zoals in Goethe’s geheime openbaring in het sprookje van de groene slang en de schone lelie tot uiting komt, worden de drie kindskrachten nu openbaar en toepasbaar in het reine, zuivere gewilde denken.
In dit zuivere gewilde denken vindt de mens de vrijheid, vrij van zijn lichaam, vrij van de materiële wereld. Zijn werkende geest vindt daar de liefde in de morele idee en morele fantasie.
In zijn voelen vindt hij de beleving, het enthousiasme en de warmte voor zijn ideeën.
In zijn willen kan hij de liefde tot de vrije handeling laten uitwerken. Het grote ideaal van vrijheid en broederlijkheid ontstaat zo in ieder mens, die hierin dan ook gelijk is aan de andere mens. De vroege kindertijd komt dan bewust in volledige overeenstemming met de volwassen wereld levend terug.
Novalis geeft dit in één van zijn Geistliche Lieder prachtig weer.
Novalis Geistliche Lieder XIV
Wer einmal, Mutter, dich erblickt,
Wird vom Verderben nie bestrickt,
Trennung von dir muß ihn betrüben,
Ewig wird er dich brünstig lieben
Und deiner Huld Erinnerung
Bleibt fortan seines Geistes höchster Schwung
[ *** ]
Darf nur ein Kind dein Antlitz schaun,
Und deinem Beistand fest vertraun,
So löse doch des Alters Binde,
Und mache mich zu deinem Kinde:
Die Kindeslieb und Kindestreu
Wohnt mir von jener goldnen Zeit noch bei

Madonna di San Sisto, Raffaello, 1512
1 Die Philosophie der Freiheit, Rudolf Steiner, GA4, p. 42 e.v.
2 De zeven metalen, Jos Mosmuller, Occident 2023
3 De blindgeborene, Johannes evangelie 9-21







