Van de organische driegeleding naar het driegelede sociale organisme (1)

Met de organische driegeleding wordt bedoeld het naar hoofd, romp en stofwisseling / ledematen gelede menselijke organisme. Dit werd door de Goden geschapen om het aardse bestaan voor mensenzielen mogelijk te maken. Als sociaal wezen leeft de aardse mens in een sociale structuur, die in het verleden eveneens door God gegeven was. Zo kreeg de oud-Egyptische theocratie haar sociale structuur van de priesterkaste door middel van goddelijke ingevingen. In de volgende twee tot drie millennia werden deze maatschappelijke instellingen min of meer overgeleverd en sinds de nieuwe tijd beginnen zij op te lossen. Nu ligt het in de scheppende kracht van de mensen zich een nieuwe zelfgeschapen sociale structuur te geven. Deze kan zich aan de beschouwing van het natuurlijke organisme scholen en dan het sociale organisme volgens diens eigen wetten ontwikkelen. Reeds lang voor Rudolf Steiners uiteenzettingen over het sociale organisme was het gebruikelijk daarover te spreken. Reeds in het jaar 1860 verscheen het boek Social Organism van de Engelse socioloog Herbert Spencer. Een jaar eerder, in 1859, was Darwins hoofdwerk De Oorsprong der Soorten verschenen, waarin hij de evolutie van de soorten onder de wetten van aanpassing, selectie en strijd om het bestaan beschrijft. Van Spencer is het begrip ‘survival of the fittest’ afkomstig en hij past dit op analoge wijze op het mensenrijk toe. De dierlijke instinkten worden tot winst-drift in de economische concurrentiestrijd gemaakt. Darwins evolutietheorie wordt zo tot sociaal darwinisme, zonder erover na te denken of in het mensenrijk niet andere wetten werkzaam zijn dan in het dierenrijk.
Steiner kan de verworven kennis van Darwin ‘op alle gebieden van het menselijk denken als zegenrijk’ waarderen, wanneer deze in de geest van Darwin wordt toegepast. (2) Zo is de Filosofie van de Vrijheid (3) ‘geheel in de zin van het darwinisme geschreven’. Steiner beschrijft daar de verschillende motivatieniveaus van de menselijke handelingen. Instincten en driften vormen een lagere sfeer, waar de mens in zijn handelingen niet vrij is, omdat hij nog door zijn biologische natuur bepaald wordt. Daarboven ligt de sfeer van normen en plichtgeboden. Daartoe behoort bijvoorbeeld Kants categorische imperatief, door welke de mens zich weliswaar niet door driften, maar door opgelegde normen laat bepalen. Vrijheid is er pas in het rijk van het zuivere denken, en daar zou geen ‘strijd om het bestaan’ moeten zijn, omdat: ‘Een moreel misverstaan, een op elkaar botsen is bij moreel vrije mensen uitgesloten. Alleen de moreel onvrije mens, die de natuurlijke aandrift volgt, stoot de medemens af wanneer die niet hetzelfde instinkt en het zelfde gebod volgt. De vrije mens leeft in het vertrouwen daarop, dat de andere vrije mens met hem tot één geestelijke wereld behoort en hem in zijn intenties tegemoet zal komen.’ (4) De dierlijke strijd om het bestaan wordt dus bij de naar vrijheid strevende mens omgevormd tot innerlijke strijd met de lagere sferen van de driften en plichtgeboden. Alleen door de overwinning daarvan opent zich de weg naar morele intuïties als voorwaarde voor een vreedzaam samenleven van vrije mensen. De evolutie neemt hier een geheel andere loop dan bij het ontstaan van de dierlijke soorten.

Staat als organisme?
De organisme-analogie duikt in diverse variaties op. Een tijdgenoot van Steiner, Schäffle (5), stelt bijvoorbeeld de these op dat de staat een organisme is en de burger een cel daarvan. De mens is echter veel meer dan alleen staatsburger. Hij staat zelfs buiten de staatsinstellingen van wetten, politie en leger, doordat hij deze zelf vorm geeft als geestelijk, scheppend wezen: ‘want de mens ontwikkelt zich boven al het staatsleven uit, hij kan niet als de cellen in het op zich staande organisme opgaan in dit staatsleven, maar moet eruit. Dat wil zeggen, er moeten gebieden zijn in de menselijke ontwikkeling die niet onder de staat kunnen vallen. Men zal zien, dat de mens moet reiken tot in een geestelijk gebied, dat de mens slechts in zijn onderste verankering in het staatsleven kan reiken, maar naar boven in de geestelijke wereld.’ (6) Deze foutieve analogie ‘mens als cel van het organisme staat’ werd in 1918 door de president van de Verenigde Staten, Woodrow Wilson, in zijn ‘vredesprogramma’ van de 14 punten overgenomen en kwam bij de vernietiging van de meervolkenstaat Oostenrijk-Hongarije tot een praktische toepassing. Wilson postuleerde met zijn leus ‘zelfbeschikking der volken’ de instelling van naar biologische aspecten gescheiden staten. Rudolf Steiner beschrijft het als ‘onzin, dat een enkele staat of een enkel volksgebied een organisme op zich zou zijn.’ (7) Dat is ‘het ergste wilsonianisme’ en zoals de geschiedenis heeft aangetoond, uitgangspunt voor oorlogszuchtige conflicten tussen staten. In een voordracht van 1918 zegt Steiner (8) dat er hogere begrippen nodig zijn dan alleen het begrip organisme om de sociale structuur te begrijpen. Men zou zich het sociale samenleven nog boven het organisme uit als psychisme en pneumatisme moeten denken. Dus het organisme als lichamelijk niveau van de wereldeconomie, daarboven het zielengebied van het mensheidspsychisme, dat in het internationale rechtsleven zoals bijvoorbeeld als aanzet in de Verenigde Naties gerealiseerd kan worden en daarboven het pneumatisme, een wereldwijd geestesleven. Een voorbeeld daarvoor is de door Rudolf Steiner geadviseerde wereldschoolvereniging (9) als internationale vereniging van het geestesleven.

‘Von Seelenrätseln’
Deze essentiële driegeleding naar lichaam, ziel en geest neemt Rudolf Steiner als grondslag wanneer hij de blik richt op het ‘meest gecompliceerde natuurlijke organisme’, het menselijke organisme. In het boek Von Seelenrätseln wordt in het hoofdstuk ‘De fysieke en geestelijke afhankelijkheden van het mensenwezen’ (10) de samenhang tussen lichaam, ziel en geest beschreven. Uitgangspunt is de vraag waarop de drie zielenvermogens lichamelijk berusten. Volgens Rudolf Steiners onderzoekingen heeft elke psychische activiteit een eigen lichamelijke grondslag nodig: Het denken berust op het zintuig-zenuwsysteem, het voelen hangt met het ademhaling-circulatiesysteem samen en het willen steunt op het ledematen-stofwisselingssysteem.
Tot op heden is deze driegelede aanschouwing echter niet aanvaard; nog altijd heerst de opvatting dat het zenuwstelsel het lichamelijke pendant van al het psychische is. De materialistische wetenschap beweert zelfs dat uit de stoffelijke processen van het zenuwstelsel het psychische juist voortgebracht wordt. Daarop berust ook de definitie van de dood, die al met de hersendood, dus met de dood van het zenuwstelsel moet intreden. Het centrale zenuwstelsel wordt mechanistisch als centrale computer gedacht die alle zielenactiviteit stuurt. Via de sensibele zenuwen komt de informatie van de zintuigindrukken voor verwerking in de hersenen en moet van daaruit als wilsimpulsen via zogenaamde motorische zenuwen naar de organen doorgeleid worden. Deze hypothetische voorstellingen hebben een drastische uitwerking op het menselijke samenleven, omdat dit volgens hetzelfde principe gedacht wordt: Het sociale samenleven moet op alle terreinen door de ‘hersenen’ door een centrale regering gestuurd worden.
Volgens Rudolf Steiner bestaat deze zenuw-centrale voor al het psychische niet, maar het zintuig-zenuwsysteem vormt slechts de grondslag voor het deelgebied van het voorstellingsbewustzijn. En het willen wordt niet via de ‘motorische’ zenuwen gestuurd, maar grijpt direct in de stofwisseling aan. De zogenaamde motorische zenuw onderscheidt zich niet van de sensorische zenuw, omdat alle zenuwen op dezelfde wijze sensorisch zijn en de waarneming dienen. ‘Een grote verwarring heeft voor de beschouwing van al deze dingen de indeling van de zenuwen in gewaarwordingsen motorische zenuwen aangericht. Zo vast verankerd als deze indeling in de tegenwoordige fysiologische voorstellingen ook blijkt te zijn, deze is niet op objectieve observatie gebaseerd. Wat de fysiologie naar voren brengt op grond van het doorsnijden van zenuwen, of van uitschakeling bij ziekten van bepaalde zenuwen bewijst niet wat op grond van experiment of ervaring tevoorschijn komt, maar iets geheel anders. Het bewijst dat het onderscheid helemaal niet bestaat, dat tussen gewaarwordingsen motorische zenuwen wordt aangenomen. Beide soorten zenuw zijn veeleer wezensgelijk. De zogenaamde motorische zenuw dient niet in die zin de beweging zoals de leer van deze indeling aanneemt, maar als drager van de zenuwactiviteit dient hij de innerlijke waarneming van dat stofwisselingsproces dat aan het willen ten grondslag ligt, precies zoals de gewaarwordingszenuw de waarneming van datgene dient wat zich in het zintuig afspeelt. Voordat de zenuwleer in dit opzicht met heldere begrippen werkt zal een juiste indeling van het zielenleven in relatie tot het lichaamsleven niet tot stand komen.’ (11) Daarmee zijn de hersenen als besturingscentrale van de wilsbewegingen niet meer relevant, alleen nog als waarnemingsorgaan, dat het verloop van de motorische bewegingen registreert.
Wat bij het wilsproces werkelijk gebeurt, beschrijft Rudolf Steiner vanuit het schouwende bewustzijn: ‘Het werkelijke willen, ook dat wat zich in de fysieke wereld verwezenlijkt, verloopt in regionen die alleen voor het intuïtieve schouwen toegankelijk zijn; zijn lichamelijke pendant heeft met zijn inhoud vrijwel niets te maken. In dat geestelijk wezenlijke, dat zich aan de intuïtie openbaart, is vervat wat zich uit voorgaande aardelevens naar de volgende uitstrekt.’ (12) De wil komt uit een sfeer, waar ook de karmische predisposities verblijven. Deze intuïtieve impulsen zijn van zuiver geestelijke aard, zo dat ook de wil als zuiver geestelijke intuitie zich lichamelijk in de stofwisseling kan realiseren en het karma in het lichaam kan werken.
Ook de twee andere zielenvermogens hebben hun oorsprong in de geest: het voelen ontstaat uit inspiraties en het denken stroomt uit levende imaginaties. Deze worden door de hersenen gespiegeld en afgezwakt en treden zo voor het gewone bewustzijn als voorstellingen in het bewustzijn. De eigenlijke realiteit van het denken ligt dus op het geestelijke imaginatieve niveau en wordt tot de afgezwakte voorstellingen op het niveau van de ziel. Op het geestelijke niveau zijn het krachtig werkende geestimaginaties.

Lichamelijk-organische driegeleding
Hoe wordt nu de lichamelijk-organische driegeleding gevormd? Daar zijn de genoemde drie systemen zonder een overkoepelende centrale. Hun werkzaamheden doordringen elkaar in alle organen. Elk systeem heeft eigen oorsprongorganen, het zintuig-zenuwsysteem in de hoofd-organisatie, en dit verbreidt zich vandaar door het gehele lichaam zodat overal zenuwfuncties werkzaam zijn. Oorsprong-organen van de middelste organisatie zijn longen en hart: bloedvaten doordringen het hele lichaam en transporteren onder andere zuurstof en kooldioxide. En ‘stofwisselingsactiviteit is in het hele organisme aanwezig; deze doordringt de organen van het ritme en die van de zenuwactiviteit.’ (13) Tussen hoofdorganisatie en het onderste stofwisselingssysteem bestaat een sterke polariteit. Het hoofd is verstard tot de benige schedel, waarin de hersenen rustig in het hersenvocht drijven. Deze tendens tot vast worden is verbonden met de oriëntering op de buitenwereld. Deze dringt in de zintuigorganen als het ware in de mens naar binnen. Daartoe moeten de hersenen als centraal orgaan van het zenuwstelsel doorlopend van stoffen en energie voorzien worden. Reeds na kortdurend tekort aan verzorging sterven de zenuwcellen af. Polair daartegenover staan de stofwisselingsorganen die onafgebroken werken aan het omvormen van vreemde substantie in eigen substantie. Zo kan het lichaam tegenover de omgeving in stand worden gehouden. Deze zeer grote beweeglijkheid van de organen en ook de lichamelijke motoriek van de ledematen verdraagt geen vast worden. Dat verschijnt als ziekteprocessen in nier- blaas- en galstenen. De polariteit van een organisme kan zodoende in de begrippen opbouw en afbraak samengevat worden. De beide leden van het middensysteem hebben een bemiddelend karakter en richten zich in het ademhalingssysteem enerzijds naar de hoofdpool; het circulatiesysteem is meer naar beneden, op de stofwisseling georiënteerd.

Het vraagstuk van het midden
Wolfgang Schad (14) heeft zich met de vraag bezig gehouden of de drie deelgeledingen in zich eveneens driegeleed zijn zoals het gehele organisme met de twee polen en zijn midden. Hij vindt als resultaat dat de twee polaire systemen zelf drieledig gestructureerd zijn. Als midden van het zenuwzintuigsysteem vindt hij de spraakorganisatie, die met het vormen van voorstellingen door de hersenen, als ook met de oriëntering van de zintuigen op de buitenwereld in gelijke mate verknoopt is. En als midden van het ledematenstofwisselingssysteem kan de seksuele organisatie gezien worden. Hier vindt in de opbouw van het embryo een enorme prestatie van de stofwisseling plaats, die uiteindelijk in de ledematenwereld vrij gelaten wordt. Hoe verhoudt zich het middensysteem?
Het rompsysteem blijft organisch beschouwd polair; hier kan geen fysiek midden worden gevonden, maar in plaats daarvan een tijdgestalte! Deze bestaat in het ritme tussen ademhaling en bloedsomloop van 1: 4 – op één ademhaling komen vier polsslagen. Dit ‘ideale’ ritme wordt vooral in de nachtelijke regeneratiefase bereikt. (15) Bovendien is het middensysteem aan het kosmische ritme van de omloop van de zon door de tekens van de dierenriem gekoppeld. Achttien ademhalingen per minuut komen per dag op 25.920, de tijd [het aantal jaren] die het lentepunt, dat is het zonsopgangspunt aan het begin van de lente, nodig heeft voor het doorlopen van de twaalf dierenriemtekens. Het wereldjaar heeft hetzelfde getal als de ademende mens! Aan deze samenhang tussen microkosmisch mensenlichaam en macrokosmisch wereldleven kan men verwondering en eerbied leren!

Het natuurlijke en het sociale organisme
Hoezo vergelijkt Rudolf Steiner in de Kernpunkte (16) het sociale organisme met het menselijke organisme? Omdat het sociale organisme niet gegeven is, maar door de mens eerst geschapen moet worden, moet men aan de beschouwing van het natuur-organisme zijn gewaarworden en denken voor de drieledigheid scholen: ‘Dat het menselijke denken, dat het menselijke gewaarworden leert het levensvatbare aan de beschouwing van het natuurlijke organisme te ervaren, en dan deze wijze van ervaren kan toepassen op het sociale organisme.’ (17) Daar kan het wezen van het organisch-levende beleefd worden, dat ontstaan, groeien, maar ook sterven moet, opdat weer nieuw leven kan ontstaan. Deze kringloop van opbouwende en afbrekende processen is de kern van de vergelijking.
Zuiver logisch zou het verstand de vergelijking als volgt opbouwen: Het zenuwstelsel is de lichamelijke grondslag voor het denken – dus komt het geestesleven overeen met het zenuwstelsel. En het economische leven, waarin waren geproduceerd, verhandeld en geconsumeerd worden, zou met het stofwisselingssysteem vergeleken moeten worden, waar iets dergelijks in voeding en vertering plaats vindt. Steiner zet het sociale organisme echter op zijn kop en zegt dat wat bij de mens zintuigen en zenuwen zijn in het sociale met het economische leven overeenkomt, en dat wat in de mens stofwisseling is vergelijkt hij in het sociale met het geestesleven. Begrijpelijk wordt dat wanneer men beide polen elk in relatie tot opbouw en afbraak ziet. De hoofdpool wordt door afbraakprocessen beheerst en de stofwisselingspool levert de bijbehorende opbouw. Zoals bij bewustzijnsprocessen in de zenuwen werkelijk een fysieke afbraak plaatsvindt en de hersenen permanent door de stofwisseling verzorgd moeten worden, zo kan ook het economische leven zich niet zelf in stand houden, maar is het op de opbouwende krachten uit het geestesleven aangewezen. Zo wordt bijvoorbeeld in de landbouw de bodem van de akkers door het intensieve gebruik uitgeput en verliest zijn oorspronkelijk aanwezige vruchtbaarheid. Deze kan alleen door ideeën uit het geestesleven weer opgebouwd worden, zoals bijvoorbeeld door biologisch-dynamische preparaten. Ook de gifstoffen die zich steeds meer in de bodem ophopen, zouden door de juiste preparaten ‘verlost’ kunnen worden. Op industrieel gebied is de afbraak zichtbaar in het opraken van de beperkt aanwezige grondstoffen. Ook hier is het economische leven voortaan op nieuwe ideeën, uitvindingen en technieken uit het geestesleven aangewezen. De vergelijking ligt dus in de functies opbouw en afbraak of groei en afsterven.
In een gesprek op 15-02-1919 stelde Roman Boos (18) Rudolf Steiner de vraag: ‘Kunnen de oude drie principes met de drie leden van het sociale organisme samengebracht worden, door het recht als Sal, de economie als Mercurius en het geestesleven als Sulphur te nemen?’ Steiners antwoord: ‘Je moet daar voorzichtig zijn. Bij de enkele mens is de overeenkomst: Sal, het hoofd; Mercurius de borst; Sulphur de stofwisseling en de ledematen; maar bij het sociale lichaam: Sulphur, het geestesleven; Mercurius het recht; Sal de economie.


Uit: Hans Kühn: Dreigliederungszeit

Bovendien moet je nog de verhouding van de enkele mens en het lichaam van de maatschappij tot elkaar erbij betrekken, en dan betekent: Sal het ‘maatschappelijke lichaam’, Sulphur het ‘individu’ en ‘daartussen’ is Mercurius. Het sociale lichaam staat op zijn kop…’
De vraag blijft wat Steiner bedoelt met het ‘daartussen’ in de derde genoemde betrekking tussen individuele mens en sociaal organisme. Het individu is het actieve proces, als Sulphur aangeduid en de maatschappij is Sal, de uit het proces gestolde gestalte. Het tussen individu en sociaal lichaam bemiddelende gebied is Mercurius. Wat kan men zich daaronder voorstellen? Een antwoord daarop geeft Steiner drie en een half jaar later in de laatste voordrachten over de sociale driegeleding (19): ‘Waar het op aankomt is dat men eens helder ziet. De mensen hebben gezegd: de mens is het product van de omstandigheden; zoals de sociale omstandigheden, de sociale instellingen om hem heen zijn, zo is de mens. Anderen hebben gezegd: de sociale omstandigheden zijn zoals de mensen ze gemaakt hebben. – Al deze leren zijn ongeveer net zo intelligent als wanneer iemand zegt of vraagt: Is de fysieke mens het product van zijn hoofd of het product van zijn maag? De fysieke mens is nu juist noch het product van zijn hoofd, noch het product van zijn maag, maar het product van de voortdurende wisselwerking tussen hoofd en maag. Die moeten altijd samenwerken. Het hoofd is oorzaak en gevolg; de maag is oorzaak en gevolg. En wanneer we dieper ingaan op de menselijke organisatie, dan vinden we zelfs dat de maag door het hoofd gemaakt wordt; want in het embryonale leven ontstaat eerst het hoofd, en dan wordt pas de maag gevormd; en dan maakt de maag weer het organisme. Dus moeten we niet vragen: zijn de omstandigheden, het milieu er de oorzaak van dat de mensen zo of zo zijn? Of zijn het de mensen die het milieu, de omstandigheden gemaakt hebben? Het moet ons duidelijk zijn, dat elk ding oorzaak en gevolg is, dat alles in elkaar werkt, en dat wij vóór alles heden de vraag moeten opwerpen: Wat voor instellingen moeten er zijn opdat de mensen de juiste gedachten kunnen hebben in sociaal opzicht? En wat voor gedachten moeten er zijn, opdat in het denken ook deze juiste sociale instellingen ontstaan?
De mensen hebben namelijk juist wanneer het op het uiterlijke praktische leven aankomt de opvatting: eerst komt dit en dan komt dat. Daarmee komt men in de wereld niet vooruit. Men komt alleen vooruit wanneer men in een cirkel denkt. Maar dan denken de meeste mensen: dan draai ik in een kringetje rond. Dat kunnen zij niet. Men moet in een cirkel denken; men moet bij zichzelf denken, wanneer men de uiterlijke verhoudingen aanschouwt: ze zijn door de mensen gemaakt, maar zij maken ook de mensen; of wanneer men de menselijke handelingen aanschouwt: zij maken de uiterlijke verhoudingen, maar worden ook weer gedragen door de uiterlijke verhoudingen. En zo moeten wij voortdurend met onze gedachten heen en weer dansen, wanneer we de werkelijkheid willen hebben. En dat willen de mensen niet. De mensen zouden, als ze iets willen regelen, allereerst een programma willen: ten eerste, ten tweede, ten derde tot ten twaalfde voor mijn part, en twaalf is het laatste en één is het eerste.’
De verhouding tussen mens en instelling is dus door een wederkerige causaliteit bepaald. Al naar gelang van de ontwikkelingsfase van de mensen is een bepaalde instelling passend. Zo is de kastenmaatschappij van de Egyptische theocratie in overeenstemming met de ontwikkelingsfase van de gewaarwordingsziel. In de huidige bewustzijnszielentijd stulpt deze standengeleding van de mensen om in een geleding van instellingen waaraan ieder mens in gelijke mate deel heeft en die slechts door zijn scheppende kracht tot realiteit kunnen worden.

_____________________
1 Bewerkte voordracht voor de Europäersamstag, 06-11-2021
2 GA31, Die Soziale Frage, p. 248,
3 GA4
4 GA4 p. 166
5 GA23 p. 59
6. GA174b p. 228, 13-05-1917 in Stuttgart
7 GA188 p. 190, 26-01-1919 in Dornach
8 GA181 p. 357, 16-07-1918 in Berlijn
9 GA297a p. 33, 24-02-1921 in Utrecht
10 GA21 p. 150 e.v.
11 GA21 p. 159
12 GA21 p. 161
13 GA21 p. 161
14 Säugetiere und Mensch, Wolfgang Schad, Stuttgart 2012
15 Säugetiere und Mensch, Wolfgang Schad, Stuttgart 2012, p. 30 16 GA23, Die Kernpunkte der sozialen Frage
17 GA23 p. 60
18 Dreigliederungszeit, Hans Kuhn, Dornach 1978, p. 224
19 GA305 p. 228, 29-08-1922 in Oxford

Wie is Mieke Mosmuller?

Mieke Mosmuller is arts, schrijfster en filosofe. Zij schrijft over actualiteiten die raken aan haar filosofisch-spirituele ontwikkelingsweg die zij startte in 1983…

Volgende seminar

30-03-2026 t/m 01-04-2026
In de week voor Pasen bezoeken wij de Kathedraal van Chartres onder leiding van Mieke Mosmuller. We overnachten in de herberg St. Yves, welke zich direct naast de Kathedraal bevindt.

Meer artikelen

Lentebazaar Vriendenkring

In het voorjaar van 2015 werd door de Vriendenkring een Lentebazaar georganiseerd in de Rudolf Steiner School te Breda. De vele vrijwilligers toverden de school

Lees meer

Nieuw boek