Vriendschap

In mijn romans komt tot uiting hoe ik de ware vriendschap zie. Mensen met verbindingen door levens heen incarneren zich op aarde en vinden elkaar. Ze weten bewust niets van die al lang bestaande verbinding, behalve dat ze iets gewaarworden, wat een verlangen wekt naar vriendschap met deze man, deze vrouw, deze jongen, dit meisje.

‘Uiteenlopende wegen gaan de mensen. Wie deze volgt en vergelijkt zal wonderlijke figuren zien ontstaan; Figuren die tot dat grote cijferschrift schijnen te behoren, die men overal, op vleugels, eierschalen, in wolken, in de sneeuw, in kristallen en in steen-vormingen, op bevriezende wateren in het binnenste en aan de buitenkant van het gebergte, in de planten, de dieren, de mensen, in de lichten van de hemel, op aangeraakte en geschilderde schijven van hars en glas, in het vijlsel om de magneet en in de merkwaardige conjuncturen van het toeval kan zien. Daarin vermoedt men de sleutel van dit wonderschrift, de spraakleer ervan; alleen wil zich het vermoeden niet in vaste vormen voegen en het schijnt geen hogere sleutel te willen worden. Een alkatrest (Paracelsus: middel waarin alle stoffen vloeibaar worden) schijnt over de zintuigen van de mens te zijn uitgegoten. Alleen voor het ogenblik schijnen de wensen, de gedachten zich te verdichten. Zo ontstaan de vermoedens, maar na korte tijd zwemt alles weer, zoals tevoren, voor hun blik.’

Dat schrijft de door mij zo veel geciteerde dichter Novalis. Je beleeft in dit stukje tekst uit ‘Die Lehrlinge zu Saïs’ de kunstvolle compositie van de uiteenlopende wegen die de mensen gaan, en die hen samenbrengen, vroeg of laat, die vrienden waren en zullen zijn.

Dat diepe verleden werkt in het nu en het werkt vanuit de toekomst, vanuit wat nog worden zal. Het werkt in de ondergrond van de ontmoeting, zoals in de ondergrond van de uiteenlopende wegen die de mensen gaan ook de diepere zin van die wegen ligt: we zijn immers allemaal op weg naar onze ontmoetingen, naar onze vrienden, naar onze geliefden – en naar onze ‘vijanden’, tegenstanders, moeilijke gebeurtenissen.

Voor mij is die diepe ondergrond al vanaf mijn jeugd voelbaar in een voortdurend verlangen om de diepte te laten overwinnen over de oppervlakkigheid in het contact. In mijn romans komt dat tot uiting, wanneer ik schrijf: En zij zaten nog lang zwijgend bijeen. Of: Wat er gezegd werd raakte niet in de verte aan wat er eigenlijk werkte. Johannes voelde een groot verlangen, om die eigenlijke diepte in het gesprek tot uiting te brengen….

Wat ik daarmee wil aangeven is, dat we in onze ontmoetingen de kostbare tijd en de gelegenheid vullen met oppervlakte-gepraat, terwijl daaronder het verlangen ligt, om tot het wezenlijke van elkaar te komen. Het zijn grootse momenten, de menselijke ontmoetingen – en ze verlopen in frasen en conventies. Bij daarvoor gevoelige mensen geeft dat een gevoel van nalatigheid, een verdriet als de ontmoeting voorbij is.

Wij, als vrienden van het werk van Mieke Mosmuller – zelf ben ik daar tenslotte ook vriend van – hebben als gespreksonderwerp de anthroposofie, wanneer we elkaar ontmoeten. Dat is een verrijking van de ontmoeting, het geeft ons de mogelijkheid om aan die oppervlakkigheid te ontkomen. Maar de echte bevrediging, de echte tevredenheid ontstaat pas, wanneer we tegelijkertijd erin slagen dat heel individueel en zelfs heel persoonlijk te doen.

De vriendschap onder elkaar, die rust op de anthroposofie, kan nooit oppervlakkig zijn. De banden die er zijn, zijn niet alleen persoonlijk karmisch, ze worden ook gedragen door grote ideeën en idealen. Maar de banden zijn ook persoonlijk en dat maakt ons tot echte vrienden van elkaar, ieder afzonderlijk ten opzichte van ieder afzonderlijk.

Tijdens onze twee Seminars in het Berner Oberland – in de zomer van 2012 en met Pinksteren 2013 – waren we met mensen uit meerdere landen in vriendschap verenigd. Ik geloof, dat iedereen die dat heeft meegemaakt daar werkelijk beleefd heeft, wat vriendschap werkelijk zijn kan, wanneer die gedragen wordt door de geesteswetenschap en toch heel persoonlijk is.

Lehrlinge von Sais_1

Wie is Mieke Mosmuller?

Mieke Mosmuller is arts, schrijfster en filosofe. Zij schrijft over actualiteiten die raken aan haar filosofisch-spirituele ontwikkelingsweg die zij startte in 1983…

Volgende seminar

30-03-2026 t/m 01-04-2026
In de week voor Pasen bezoeken wij de Kathedraal van Chartres onder leiding van Mieke Mosmuller. We overnachten in de herberg St. Yves, welke zich direct naast de Kathedraal bevindt.

Meer artikelen

S’Odile, Sol Dei, zon Gods

Na de val van het West Romeinse Rijk in het jaar 476, met de afzetting van keizer Romulus Augustulus door de Germaanse veldheer Odoaker, viel het Romeinse rijk steeds verder uiteen door invallende Germaanse stammen van boven de Rijn en door de Visgoten van boven de Donau.

Vele stammen hadden het Arianistische Christendom aangenomen, waarbij de Christus wel als Zoon van de Vader, maar niet als God werd aangenomen. Het kerkelijke Romeinse en Orthodoxe Christendom hield vast aan de patriarch Athanasius, waarbij Christus net als de vader God is.

Voor de Germanen was het Arianisme naast hun oude Goden beter te aanvaarden. De Kerk veroordeelde het Arianisme in 325 n. Chr. op het Concilie van Nicea als ketterij. In Noord-West Gallië tussen Soisson en Parijs tot aan de Bretagne bleef een gebied in Romeinse handen, geregeerd door Aegidius en zijn zoon Syagrius. Aanvankelijk was dit via Aquitanië, Occitanië en de Languedoc nog met Italië verbonden, later ontstond een apart koninkrijk met de naam Neustrië (nieuw land, Soisson tot Bretagne). Clovis I de Merovinger uit Tournai (Doornik, 465) versloeg Sygarius in 486 bij Soissons. Hij verenigde Neustrië met het oostelijk gelegen gebied Austrasië (Vlaanderen, Holland, Metz, Aken, Keulen tot Fulda). Clovis ging door zijn vrouw Chlotilde over tot het Christendom en werd gedoopt in 496. Ook Aquitanië en Bourgondië verenigde hij in een Frankisch rijk. Na zijn dood viel het rijk weer uiteen in twee hoofdgebieden: Neustrië en Austrasië. In de tweehonderd jaar daarna was er voortdurend oorlog tussen beide landen. In die tijd werd de functie van hofmeier, hoofd van de hofhuishouding, steeds belangrijker. Deze breidden hun functie uit tot feitelijke heersers over het koninkrijk, met meer macht en invloed dan de koning zelf. De hofmeesters bestuurden het land en bestreden elkaars grondgebied.In deze strijd mengde zich de zoon van hofmeier Liuteric van Neustrië onder Teodorik III, de behendige, sluwe en boosaardige Hertog Eticho van Elzas en Bourgondië, ofwel Aldaric genoemd. Hij steunde afwisselend hofmeier Ebroin bij Childerik II van Neustrië en hofmeier Pepijn van Herstal bij Dagobert II van Austrasië. Hij ontving hiervoor landerijen, burchten en kloosters. Hij vermoorde de abt Germanus van Granfelden van het klooster Montier-Grandval om zijn gebied uit te kunnen breiden. De kleinzoon van Pepijn van Herstal, Pepijn de Korte, werd uiteindelijk koning van geheel Frankrijk, opgevolgd door zijn zoon Karel Martel en later door zijn kleinzoon Karel de Grote.

Deze strijd om de hegemonie in het Gallo-Frankische gebied kwam nog geheel uit de krachten van de Keltisch-Germaanse stammen, waarbij bloed en erfelijkheid de hoofdrol speelden. Het recht van de fysiek sterkste doortrok het hele bestaan van die tijd, waarin huwelijk, verraad, verbanning, moord en doodslag de gebruikelijke methoden waren om het gewenste doel te bereiken.

Lees meer

Nieuw boek