
In 1985 verhuisden we van Limbricht bij Sittard in Limburg naar Den Haag. In Limburg hadden wij de anthroposofie in boeken leren kennen en het eerste boek dat ik las, de Theosofie maakte direct de anthroposofie tot mijn levensbron.
Het streng geregelde meditatieve leven kwam langzamerhand op gang en ik herinner me dat ik met Pinksteren 1985 me echt plechtig voorgenomen heb om trouw twee keer per dag te mediteren. Later kwam daar de intensieve studie van het boek De filosofie der vrijheid bij. Ik had het boek als kennis al veel eerder gelezen, maar de meditatieve verwerking en het doen van de filosofie der vrijheid, zoals ik dat later steeds heb genoemd, kwam pas in 1987 echt op gang.
Die innerlijke werkzaamheid, gepaard aan het meditatieve leven bracht de omvorming van het denken tot stand, waarop mijn hele werk berust. Ik had die omvorming niet gezocht, wist waarschijnlijk niet eens dat die gezocht kon worden, maar die omvorming trad op een ochtend in. Het is een zodanige omvorming van je kennispositie, dat je vanaf dat moment niet alleen weet dat die andere kennispositie, die je gespiritualiseerd denken zou kunnen noemen, bestaat, maar dat je die positie ook welbewust wetend telkens opnieuw kunt innemen.
Ik heb daar met vrienden over gesproken en vooral met Jos. We ontdekten een rijkdom aan literatuur in het werk van Rudolf Steiner over dit kantelpunt in het kenvermogen en het belangrijkste boek daarbij bleek te zijn GA 35: Philosophie und Antroposophie. We hadden inmiddels een klein vakantiehuisje in Baarle-Nassau, waar we vanuit Den Haag vaak naartoe gingen en ik herinner me de lange wandelingen door de bossen en de velden rondom Baarle-Nassau. Wij spraken over het bovenzinnelijke zelfbewustzijn en het bewustzijnswezen, steeds aftastend in hoeverre je die twee geestelijke wezensdelen in jezelf kon vinden en met welke bekende wezensdelen die correspondeerden. Het waren vooralsnog raadsels, maar al wandelend en sprekend met elkaar hierover losten die raadsels zich geleidelijk aan op. Zoals gezegd, ik sprak er ook met andere vrienden over, ook met antroposofen, maar dat is een heel ander verhaal. In de loop van de tijd kwam er vanuit de vriendenkring steeds sterker de vraag naar voren, of ik dat, wat ik nu toch eigenlijk bedoelde, niet kon opschrijven. Brieven schrijven kon ik goed, dat wist ik wel, maar een boek? Geleidelijk aan ontstond een krachtige impuls om dat werk te beginnen.
Wat ik geschreven heb op papier staat nog in de kast. Het is een ringband A4 formaat met daarin gelijnd papier. Dat zijn van die blocnotes die je kunt kopen met reeds de gaatjes erin geperforeerd. Ik nam mijn vulpen en begon te schrijven – en merkte dat het niet ging. Ik droeg een wereld aan beleving en weten in mij, maar zodra ik probeerde dat op papier uit te drukken ging het als een soort schip van wal en voer het van me weg. Het stelde zich tegenover me op en het werden gewone gedachten. Dat was nu juist wat ik niet wilde. Ik wilde niet tegenovergestelde gedachten, niet voorstellingen opschrijven, maar ik wilde van het begin af aan geheel en al verbonden zijn met de ontplooiing van de gedachten, die ik dan vervolgens op schrift wilde zetten.
Verschillende keren maakte ik een begin en telkens werd het iets wat ik niet wilde. Eind september 1992 hadden we een reisje voorgenomen naar Zwitserland, naar Tessin, waar ik als kind met familie gedurende enkele jaren telkens in de zomer gekampeerd had.

Mieke Mosmuller tijdens het verblijf in Tessin bij Ascona, 1992.
Ik liet de impuls voor een paar dagen los. Maar toen we weer thuis kwamen nam ik die natuurlijk weer op.
Ik ging aan tafel zitten en probeerde opnieuw een aanvang te maken.
Wer Wissenschaft hat und Kunst,
Der hat auch Religion.
Wer jene beiden nicht besitzt,
der habe Religion.
Die zinnen welden als muziek in mij op en ik kon beginnen. Ik heb Zoek het licht… als het ware in een ruk opgeschreven, met weinig of misschien geen doorhalingen, je kunt het nog zien. Ik kwam in de zelfontplooide gedachtestroom waarin het ik de gedachten uit zich voortbrengt en ik kon nu een poging doen om die houding in de Proloog voor te bereiden, om dan in de hoofd-stukken van het boek Philosophia, Wetenschap, Liefde en tenslotte de Bezinning de zich ontplooiende gedachten origineel op te schrijven. Volmaakt kan het natuurlijk nooit zijn, want je blijft een struikelend mens, maar in elk geval was de afstand overwonnen, het schip voer niet meer van mij vandaan. Ik kon als kapitein het schip laten varen en het besturen, ik was zelf het schip.
Toen ik meende het boek tot een eind te hebben gebracht zei Jos, die natuurlijk altijd meelas: Je moet nu toch wel het laatste ook nog schrijven!
Wat was het laatste? Misschien had ik het weggelaten als hij niet had gezegd: En het laatste?
Het laatste werd de Epiloog. Hierin wordt de volgende stap, die werkelijk leidt tot de geestelijke aanschouwing beschreven. Hierin gaat het erom dat het denken niet alleen ontplooid wordt, maar dat het ook aanschouwd en beleefd wordt. Nu moet nogmaals de vraag worden gesteld, in een heel ander gebied dan in het begin. Zonder die vraag kan de Graalsburcht wel betreden zijn, maar ontgaat de zin daarvan aan de bezoeker van de Burcht. Er moet een bezinning optreden, die verder gaat dan alleen een achterom kijken en bewust worden wat je nu eigenlijk gedaan hebt. Er moet in een hogere orde opnieuw de vraag worden gesteld, in een actuele aanschouwing van het denkproces. Dat is een innerlijke houding die tenslotte moet worden ingenomen om tot geestaanschouwing te komen. Het wordt een religieuze ervaring.
Dat zijn die teruglopende hoofdstukjes in de epiloog, waarbij de beweging zo gemaakt wordt dat aan het eind dit weer bij het begin aansluit.
Ik heb in de herfst en de winter 1992/1993 de tekst geschreven. In de zomer heb ik het toen zelf overgetypt op een schrijfmachine en ook met hulp van een Duits familielid de Duitse vertaling gemaakt, die ondanks de correcties onvolmaakt bleef. Daarna begon het proces van het zetten, de drukproeven en tenslotte het drukproces.
Het was het eerste boek en het was het laatste boek dat met een getypt document kon worden gezet (met behulp van films). Bij Moeder van een Koning moest het al een Word Perfect document zijn – dat waren avonturen van een heel andere aard.
Zoek het Licht… is nog geheel vrij van kunstmatige intelligentie geproduceerd.
Ik dacht dat het het enige boek zou zijn dat ik zou schrijven, want wat daar in staat is nog steeds wat ik als fundament voor de anthroposofie aanschouw en wat ik daarover te zeggen had en heb. In de jaren daarna heb ik gevarieerd op het thema en pas veel later zijn ook meer inhoudelijke boeken verschenen.
Maar Zoek het Licht… blijft het fundament en ik weet dat wanneer je je daarin zo kunt verdiepen dat je er min of meer in woont, dat je dan zelf tot dat punt van de spiritualisering van het denken komt. Dat is bewezen door het feit dat een paar mensen dat inderdaad hebben beleefd.
Dertig jaar later spreek ik audio’s in voor de werkgroep in Baarle-Nassau. Daarvoor lees ik dan natuurlijk iedere keer een betreffend stukje en zie dat het nog steeds is, waar ik ten volle achter sta en waar alles, wat het leven waard maakt te leven, op berust.







