
Als het nog niet uit andere publicaties duidelijk was geworden, dan zouden in ieder geval bij het lezen van dit boek de schellen van de ogen moeten vallen: Wat we hier hebben is een meesterwerk in de ware zin van het woord. Volgend op de dialogen en lezingen in het Instituut in de bergen uit Posthumanisme, brengt het de mysterieuze, altijd verrassende en soms eigenaardige wereld van de elementairwezens op zo’n manier tot leven dat de toegenegen lezer nauwelijks kan stoppen met zich te verbazen. Er kan geen twijfel over bestaan dat de gegeven weergave het resultaat is van een directe, levendige kijk op deze wereld. Wat begint met een sfeervolle kerstviering in familiekring leidt in strikte volgorde in 13 hoofdstukken naar de grondsteen van de Weihnachtstagung van 1923/24. De wereld van gnomen, nimfen, undinen, elfen, feeën, sylfen of salamanders wordt onderweg met een schijnbaar onuitputtelijke rijkdom aan details beschreven. Als de aandachtige lezer dit innerlijk meevolgt, merkt hij al snel hoe ze in hem of haar beginnen te leven. Het is duidelijk dat wat hem verteld wordt waar is: hoe bijna schokkend echt deze onzichtbare wereld werkelijk is.
Het is duidelijk dat de openbaring die wordt gegeven niet slechts een dialoog is over de elementaire wezens, het speelt zich eerder met en door hen af. Ze maken zich kenbaar en maken zichzelf vormend voelbaar in het alledaagse leven van de lezer. Dat dit niet slechts een illusie is, vermoedt men ten slotte wanneer Johannes zegt:
“Op het moment dat je opstijgt op een wetenschappelijke wijze, tot het wetenschappelijke aanschouwen van het wetenschappelijke denken, heb je niet een instrument ontwikkeld om de geestelijke wereld te schouwen, maar heb je de geestelijke wereld zelf gevonden.” (….) “Daardoor is wat we daaruit geput hebben aan inhoudelijke kennis met betrekking tot de elementairwezens als onderdeel van het aanschouwde denken tot een werkelijkheid opgestaan.” (Pag. 101)
Op dit punt is het belangrijk om duidelijk het verschil te noemen tussen dit meesterwerk en de gangbare bronnen over elementairwezens, afgezien van Rudolf Steiner’s uiteenzettingen; het wordt al duidelijk in de titel van het boek en het loopt er als een dikke rode draad doorheen: De zuiver christelijke grondslag van de kennis, los van elke oude helderziendheid:
“Maar Philippe wilde in het kenproces van het etherlichaam van de aarde niet anders beginnen dan met een zo intens mogelijk bewustzijn van het macrokosmische Wezen dat Aarde-Wezen geworden is, in de etherwereld verschijnt, maar daarin zo verschijnt dat de etherwereld zelf dit Wezen is. “ zonder die toestemming”, leest men, zou “Philippe geen woord willen spreken.” omdat hij maar al te goed weet: “Alles wat de hemelse Hiërarchieën in hun wezen zijn, openbaren en doen is Hij. Alles wat zij aan lagere orden van geesten opdragen is Hij. Alles wat die allerlaagste wezens aan werk verrichten is Hij. Zo werken alle wezens in Zijn zin!” (Pag. 9)
En later lezen we, als om ons te herinneren: “Dat we ons werkelijk mogen voorstellen dat in Christus de hele hiërarchieënwereld als ledematen aanwezig zijn. Hij werkt in de aardesfeer voortdurend scheppend in de elementen en we weten dat we die elementen ons moeten voorstellen als kolonies van wezens, namelijk van elementairwezens.” (Pag. 121)
Beginnend bij het aarde-element biedt het boek in fascinerende helderheid een brede verzameling van kennis over de verschillende klassen van elementairwezens en hun werken van alledag voor de mens en de wereld:
“…omdat je als spiritueel kennende mens namelijk de metamorfose van de natuurkundige wetmatigheden in de waarachtige spirituele verhoudingen meemaakt. Wat treedt er precies in de aanschouwing? De voorgestelde natuurkundige hoofdkrachten maken plaats voor de aanschouwing van enorme legers van ondenkbaar kleine en toch machtige in zekere zin grote wezens die de elementair wezens van de vaste stof zijn. Het zijn geen abstracte krachten die de materie zo vast en hard en dicht en zwaar maken; het zijn wezens die voortdurend in de vaste stof werkzaam zijn om de vastheid van de stof te bewerken en te bewaren. De dichtheid ontstaat niet door de elektromagnetische aantrekkingskracht van de verschillende onderdelen in de materie, de dichtheid wordt bewerkt door hardwerkende overintelligente wezens, die vanuit hun intelligentie in staat zijn de vorm van de stof zodanig te handhaven, dat het precies die stof is die het is. Stel je voor dat er een wezen bestaat dat zo intelligent is, dat het de aard en de structuur, de vorm van het kwarts op zich zo kent, dat het dit kan maken.” (Pag. 16)
Uitvoerig wordt op de plaats van de elementairwezens in verhouding tot de mens en tot de hogere hierarchien ingegaan, maar ook op de verhouding tot de techniek:
“Deze wezens zijn overintelligent, maar ze hebben geen mogelijkheid om daar bewust of zelfs zelfbewust mee om te gaan. Ze lopen net als een computer het pad af waarin zij gesteld zijn. Dat is een overintelligent pad, maar niet creatief. E is geen beleving, er is geen bewuste keuzemogelijkheid. Dat maakt dat deze wezens een grote verwantschap hebben met de kunstmatige intelligentie, die ook overintelligent is, een bepaald pad af loopt, zonder daarin een keuze te hebben en zonder daarin een beleving of een bewustzijn te hebben – iets wat door aanhangers van de harde kunstmatige intelligentie natuurlijk betwist wordt.” (Pag. 18)
De aarde elementairwezens zijn zelf de dichte aarde die zich in de techniek steeds verder en verder verdicht. Het element water blijft daarentegen veranderlijk:
“Je krijgt de mogelijkheid om je dan vervolgens met de waterwezens, die scheppende vormwezens, die zich echter dan niet aan een vorm houden, te verenigen. Je moet kunnen vervloeien, zelf vloeibaar worden, overal het water voelen, de steeds in verandering zijnde gestalte. Dan lost geleidelijk aan die innerlijke gewaarwording op basis van de morele beleving en de belangeloze aanschouwing op in ontelbare arbeidzame, zich steeds veranderende wezens, die als het ware het vloeibare element zelf zijn.” (Pag. 51)
De aard van de waterwezens, zo beleven we in deze samenhang, vindt bij de mens zijn overeenkomst en tevens het voorbeeld in de ontwikkeling van een vormend denken (gestaltendes Denken):
“Het is heel belangrijk om te leren kennen hoe deze vormende wezens metamorfoserend werkzaam zijn en daarbij helemaal opgaan in dat wat zij doen. Zij metamorfoseren mee en dat is wat wij in ons bewustzijn moeten leren.” (Pag. 52)
Hoe verder we komen met lezen, des te meer is een ofenend lezen nodig en/of worden oefeningen beschreven om zich met de juiste innerlijke houding zelf actief in het gegevene in te leven. Met betrekking tot het lucht-element betekent dat zo ongeveer: “Over het denken heen, door het denken door, niet gedachteloos alleen maar zintuiglijk aanschouwen, maar met wijsheidsvolle gedachten meegaan met de processen in de elementen. Dat betekent natuurlijk niet dat wanneer de wind stormkracht aanneemt het van enig belang is dat je het aantal meters per seconden kent, of dat je meteorologisch weet hoe de wind ontstaat. Het gaat erom dat je met behulp van alles wat je weet – en daar hoort natuurlijk die meteorologische kennis eventueel ook bij – de wind bevraagt. Het zijn vooral de luchtwezens die daarin werkzaam zijn, in opdracht van hogere wezens. En wanneer je met een denkend bewustzijn de wind beleeft, dan bevrijd je de luchtwezens.” (Pag. 61)
Het wezen van de elementen leren kennen betekent dus: de elementairwezens bevrijden uit hun aardse gevangenschap. Hun eigenlijke activiteit leeft in de etherische wereld, bij de gnomen is dat in de levensether.
“Het zijn aardewezens, maar ze hebben eigenlijk helemaal geen liefde voor de aarde zelf. Het past bij hen dat ze daar een antipathie tegen hebben. Ze hebben een heel groot verlangen naar het licht en de kosmos en ze zijn wat hun etherische aspect betreft wezens van de levensether. Ze zijn in feite helemaal hoofd, helemaal zintuig en je zou ze dus het liefst, wanneer je ze zou schilderen, niet met ledematen afbeelden, maar ze zo weergeven dat ze volledig oog en oor zijn.” (Pag. 75)
En je wrijft je in de ogen wanneer je leest wat je altijd al verwonderd heeft, zonder dat tot nu toe de elementaire kant van het fenomeen bewust was:
“Tot die weg zijn de gnomen veroordeeld, maar zij verzetten zich en hun verzet is dus zichtbaar in het met kracht omhoogkomen van het grassprietje door het asfalt.” (Pag. 76)
Al lezend stijgt men van het vaste element omhoog over de verschillende etherkwaliteiten tot aan het warmte-element, de woonplaats van het Ik:
“Wanneer je denkt aan de gewone alledaagse beleving die je in het leven hebt, dan heb je daarmee het element van de lucht en de etherkwaliteit van het licht. Ga je over naar het eigenlijke ik, naar het geestprincipe, dan bereik je daar het principe van de ware idee en deze ware idee is de warmte zelf. Hier is dus niets meer te vinden van het koele element van het intellect. Hier is uitsluitend warmte, hier is vuur. Het is het vuur van de geest en de geest is idee. Hier komt het wonder van het menszijn tot verschijning, hier stijgt de jubel van de geest op, want terwijl hier de vereniging met het element warmte volledig is, is hier tegelijkertijd de mogelijkheid om het geestprincipe te aanschouwen, ofwel door het geestprincipe te worden aanschouwd. De eenheid in het element betekent hier tegelijkertijd het principe van het aanschouwen. Hier is voor de objectiviteit niet het gewone zich tegenoverstellen noodzakelijk, hier erkent de warmte de warmte.“ (Pag. 92)
En later lezen we, welke in de meest ware zin van het woord elementaire betekenis dit principe voor de toekomstige ontwikkeling van de elementairwezens heeft:
“We hebben ook beleefd hoe de mens verantwoordelijk is voor het onder de heerschappij van de scheppende Christus blijven van deze elementairwezens. Hoe is de mens daarvoor verantwoordelijk? Door de opvoeding, de ontwikkeling, de bewustwording, de beschouwing, de aanschouwing van het eigen denken. Zou de mens het aan hem toevvertrouwde denken, de intelligentie uit handen geven aan de tegenmacht, wat op dit moment een reëel gevaar is, dan zou dat betekenen dat ook de elementairwezens van de Logos afvallen en die andere heer gaan dienen. Dat is voor een deel al het geval, maar voor het grootste deel is dat niet het geval.” (Pag. 121)
Meteen op de eerste bladzijde van het boek doet Philippe een uitspraak die in deze context niet ernstig genoeg genomen kan worden. Hij zegt daar dat hij tot dan toe het gevoel had dat de groep mensen die regelmatig naar de seminars in het Instituut komt, nog niet klaar was voor het onderwerp van de elementairwezens. Eerst wilde hij er zeker van zijn dat hij kon uitgaan van het allesomvattende wezen. Moge het feit dat dit meesterwerk nu is gepubliceerd ons eerbiedig maken voor de verantwoordelijkheid die ons daarmee is toevertrouwd.








