
Rudolf Steiner spreekt in de karmabanden over de “onverbrekelijke overeenkomst” (1) tussen de Aristotelici (latere Dominikaner Orde) en de Platonici (School van Chartres), gesloten tijdens een hemels concilie aan het begin van de 13e eeuw, om aan het eind van de 20e eeuw samen op aarde te verschijnen, opdat “de anthroposofie een zekere culminatie in de aardse beschaving kan bereiken. Kan zo gewerkt worden, zoals het door Michael voorbestemd is, dan komt Europa, dan komt de moderne civilisatie uit de neergang. Maar op geen enkele andere wijze!” (2)
Het feit dat deze door Rudolf Steiner voorspelde culminatie rond de eeuwwisseling niet heeft plaatsgevonden, roept de vraag op of de oorzaak daarvan niet gezocht moet worden in de gangbare opvattingen over Rudolf Steiners opgave, zijn dood en de daaropvolgende interne strijd, waardoor de aanloop naar de culminatie niet kon plaatsvinden.
In publicaties lag de nadruk tot nog toe vooral op de onderlinge conflicten. Maar de vraag is of de problemen niet veel dieper lagen, gezien de volgende uitspraken van Rudolf Steiner:
- “Als er slechts twee achter mij zouden staan, dan zou ik mijn opgave, geloof ik, kunnen voltooien.” (3) “… met grote smart geuit.” (3)
- “De voornaamste reden dat mijn impulsen niet werkzaam worden, ligt hierin, dat de leden niet naar datgene kunnen luisteren wat ik zeg, maar zichzelf willen poneren.” (3)
- “…uitgesproken tendens, mij dood te zwijgen.” (4)
Wie de geschiedenis van de AAG kent, zou kunnen inzien hoezeer onder de conflicten, maar ook daarbuiten, het door Rudolf Steiner genoemde zichzelf poneren schuilging. Ook hoezeer Rudolf Steiner alleen stond met zijn opgave, zoals b.v. zijn uitspraak: “…, dat ons Tijdschrift voor Driegeleding sinds mei (hij zegt het in januari daaropvolgend!) met bijna geen enkel abonnement verder gekomen is. En daarbij zijn we een Vereniging die duizenden en duizenden leden heeft. Het is werkelijk zeer treurig.” (5)
Hebben wij anthroposofen nu, evenals toen, de focus niet in de eerste plaats op de eigen anthroposofische opgave of interesses gericht, in plaats van naar Rudolf Steiners voorbeeld te kijken, die zijn eigen opgave jaren opzijzette door zich eerst in dienst te stellen van de opgave van Julius Schroër?
Denken wij veelal niet Rudolf Steiner te dienen door een eigen stuk anthroposofie ‘verder’ uit te werken, maar poneren wij in wezen hiermee niet onszelf, i.p.v. hem wezenlijk te dienen?
Schokkend is in dit verband zijn volgende uitspraak:
“De meesten weten niet, dat ze persoonlijk zijn, de meesten houden dat, wat zij doen, nu eenmaal voor onpersoonlijk, omdat zij zichzelf misleiden over het persoonlijke en het onpersoonlijke. Dat moet dan meegenomen worden. En dat werkt in de werkelijk huiveringwekkendste terugslagen uit de geestelijke wereld terug op degene, die deze dingen, die uit de persoonlijkheden opwellen, mee binnen te dragen heeft in de geestelijke wereld…” (6)
Wordt het begrijpen van Rudolf Steiners weg en opgave niet veelal ingewisseld tegen het zelf ‘verder’ willen uitwerken van de anthroposofie?
Toen evenals nu, staat daardoor Rudolf Steiners weg en opgave niet centraal.
Toen, evenals nu, staan zijn ernstige waarschuwingen en aanwijzingen, in samenhang hiermee, niet centraal.
Om het hier te beperken tot het belang van het fundament van de geesteswetenschap, het levende denken*, als grondslag van de culminatie van de anthroposofie in de cultuur, is karakteristiek zijn uitspraak: “Zolang ik het kennen niet tot deze trap (het levende denken, TvRV) verhef, blijft al het weten in hogere zin zonder waarde.” (7)
Zou dit verheffen wel gebeuren en zou iedere schrijver, zoals Rudolf Steiner zelf ook deed, als verantwoording laten zien hoe hij deze trap van het levende denken bereikt heeft, dan zou het verschil van mening over wat het levende denken inhoudt verdwijnen.
Dan zou men elkaar in waarheid vinden, dan zou men elkaar wel in de bevestiging van elkaars onderzoeksresultaten vinden.
Dan zou er geen vorm van, zeg maar, anthroposofie à la carte meer zijn, van elkaar vaak tegensprekende stromingen. Dan zou er zekerheid zijn omtrent het waarheidsgehalte van de secundaire anthroposofie.
Zover is het helaas niet gekomen, we waren en zijn zo met onszelf bezig dat er ook geen echte interesse in de komst van de individualiteit van Rudolf Steiner rond de afgelopen eeuwwisseling waar te nemen was. Het onderstreept weer eens zijn uitspraak over de “uitgesproken tendens, mij dood te zwijgen”. (4) (Dit staat in tegenstelling tot het citeren van Rudolf Steiner uit de GA’s).
Ook de vraag: Hoe zou je bij benadering een moderne ingewijde, de individualiteit van Rudolf Steiner of eventueel een andere, kunnen herkennen, bleek in het geheel niet te leven.
Daar zou toch wel enige reden voor zijn geweest, gezien het gedrag, dat tot zijn dood leidde, en erger nog de onderlinge strijd die zich daarna afspeelde, en die onherroepelijk ook tot catastrofale gevolgen op het wereldtoneel geleid heeft en nog steeds leidt.
Het lijkt daarom ook niet zo verwonderlijk dat de voorspelde, wereldwijd zichtbare culminatie van de anthroposofie door dit alles eerder in het tegendeel is verkeerd. Veel verder dan de vraag van de toenmalige voorzitter van de AAG, Manfred Schmidt-Brabant, die zich tijdens de Michaeli-Tagung in 2000 afvroeg of de AAG zich niet in een occulte gevangenschap bevond, is het niet gekomen.
Tenslotte: Het voorgaande kan niet anders dan uiterst pijnlijke gevoelens oproepen, en mogelijk een vorm van cognitieve dissonantie veroorzaken. Het lijkt onontkoombaar dat we toch de moed zullen moeten opbrengen om deze diepere oorzaken in een grondig (zelf )onderzoek in het bewustzijn te krijgen. Het hier gezegde kan slechts een aanzet hiertoe vormen.
* 31 Synoniemen gebruikte R. Steiner hiervoor, waarover destijds volgens Florin Lowndes geen vragen werden gesteld. Zie: Florin Lowndes – “Das Erwecken des Herz-Denkens”, p. 16 e.v., 1998.
Bijlage I: Rudolf Steiner over het levende denken, enkele voorbeelden:
“Zolang ik het kennen niet tot deze trap (het levende denken, TvRV) verhef, blijft al het weten in hogere zin zonder waarde.” (7)
“En ziet u, deze wil, die moet nog in diegenen komen, die onze anthroposofie vertegenwoordigen. Als deze wil inslaat als een bliksem in diegenen die onze anthroposofie vertegenwoordigen, dan zal de anthroposofie voor de wereld op de juiste wijze vertegenwoordigd kunnen worden.” (8)
“U kunt met datgene, wat in de geesteswetenschap leeft, niet meekomen, als niet die vonk, die bliksem inslaat, waardoor het denken vol activiteit wordt. Door deze activiteit moeten wij ook weer de goddelijkheid van het denken veroveren.” (9)
“Een licht flitst in mij op en belicht mij, en met mij alles, wat ik van de wereld ken. Wat ik ook ken, het zou blind weten blijven, wanneer niet dit licht daarop zou vallen…, wanneer het kennen niet in mij tot een hoger bestaan gewekt zou worden…; het is een verheffen van het weten, van het kennen, op een hogere trap, waarop aan alle dingen een nieuwe glans verleend wordt. Zolang ik het kennen niet tot deze trap verhef, blijft al het weten in hogere zin zonder waarde.” (10)
“…, dat de mensen nog niet de energie willen ontwikkelen, activiteit in het denken te brengen. Het is vaak om te vertwijfelen in dit opzicht.” (11)
“Ik wijs wat betreft het gebied van de geestelijke kenkrachten elke menselijke verrichting af, die onder het zuivere denken voert, en erken alleen datgene, wat boven dit zuivere denken uitvoert…” (12)
“Dat heeft men juist niet gedaan, ‘De Filosofie der Vrijheid’ anders te lezen, als andere boeken gelezen worden. En dat is het, waarop het aankomt, en dat is het, waarop nu met alle scherpte gewezen moet worden, omdat anders eenvoudigweg de ontwikkeling van de Anthroposofische Vereniging geheel en al achterblijft achter de ontwikkeling van de anthroposofie. Dan moet de anthroposofie door de omwegen door de Anthroposofische Vereniging door de wereld immers totaal misverstaan worden, en dan kan er niets anders uit voortkomen dan conflict op conflict!” (13)
“Als ik er eens niet meer ben, zal er een verintellectualisering van de anthroposofische geesteswetenschap komen.” (14)
“Het zou mogelijk kunnen zijn, dat zich eens de anthroposofie van de Anthroposofische Vereniging zou moeten losmaken…” (15)
Bijlage II: De 7 trappen van de inwijding volgens de weg van Christian Rosencreutz.
Een voorbeeld van de verschillen en overeenkomsten tussen de trappen in de weg van ‘De Filosofie der Vrijheid’ en ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’. (16):

Rudolf Steiner over de ‘Filosofie der Vrijheid’: “Dat is de zekerste weg en zal in de toekomst ook meer en meer de weg voor alle mensen worden.” (17)
Enkele citaten over de Godzaligheid (het levende denken):
- “Het wonderbaarlijke echter is – en daarmee wordt de Rozenkruizer-weg vernieuwd, wordt het Anthroposofie – dat met deze realisering, dit tot-zijn-worden van het denken, waardoor de wilsactiviteit in het denken bewust wordt, onmiddellijk de hoogste trap van de Rozenkruizer-weg gerealiseerd is: de Godzaligheid.” (18)
- “Geen enkele inhoud heeft dit denken, toch is het een volledig harmonisch gestructureerd, in de waarheid wevend organisme, dat bereid is slechts datgene als waarachtige kennis te aanvaarden wat zich uitspreekt in de gestalte van Christus in de etherwereld.” (19)
- “Over wat geschouwd werd, zouden boeken vol geschreven kunnen worden, en een hele kast zou niet genoeg zijn om ze op te bergen.” (20)
- “Er wordt dan bereikt, dat je in het denken geen inhoud meer hebt dan alleen de wilskracht en de genadevolle glorieuze vervulling met God.
Dat is aan de tijd.
Het is de verschijning van Christus in de etherwereld.
Vanuit het hoogste punt* kunnen we dan afdalen, als het ware, naar de andere zes treden om tenslotte de toestand van de inwijding geheel te bereiken.
Maar in de waarneming van Christus in de etherwereld, die een vervulling met Christus in de etherwereld is, hebben we met Hem de hele inwijding in ons opgenomen, zij het als een kiem die nog in vruchtbare bodem moet worden gelegd.” (21) ( * boven Saturnus)
Wordt deze toestand bereikt, dan zou dat de grondslag vormen voor de culminatie in de huidige tijd.
___________________________
1 GA240 (1977), 18-07-1924 Arnheim, p.157
2 GA240 (1977), 19-07-1924, Arnheim, p.180
3 Rudolf Steiners Leidensweg, G. von Beckerath, p. 220, 221, 114
4 GA183
5 GA203, p. 81
6 Beckerath, p. 223
7 GA7 p. 21
8 GA121, p. 38
9 GA217 p. 125-126
10 GA7 p. 21
11 GA217 p. 126
12 GA35
13 GA257 p. 58
14 Beckerath p. 167
15 Errinnerungen an Rudolf Steiner, E. Belte en K. Vier, p. 237
16 Voordracht Mieke Mosmuller, 28-11-2013
17 GA266/3, p. 255
18 Arabeske. Das integral Ken Wilbers, Mieke Mosmuller p. 186-187 19 Levend Denken, Mieke Mosmuller, p. 144
20 De poort naar de geestelijke wereld, Mieke Mosmuller, p. 50
21 Tedere vertroosting, Mieke Mosmuller, p. 86-87
Verdere literatuur:
De filosofie der vrijheid, Rudolf Steiner
Waarheid en wetenschap en Filosofie en anthroposofie, Rudolf Steiner
Zoek het licht dat opgaat in het westen, Mieke Mosmuller
De Heilige Graal, Mieke Mosmuller







