De schepping van de Ik-kracht

In het voorwoord van de nieuwe editie van de Filosofie der vrijheid uit 1918 formuleert Rudolf Steiner twee fundamentele vragen over kennis. De eerste gaat over de vraag of er een aanschouwing van het menselijke wezen bestaat dat zekerheid geeft in alle levensvragen, in alle kennisvragen waaraan niet getwijfeld hoeft te worden. De tweede gaat over de wilsvrijheid van de mens en het antwoord daarop hangt af van welk antwoord op de eerste vraag gegeven kan worden.
Het gaat om een antwoord dat niet als zodanig geleerd kan worden, maar dat altijd opnieuw voortgebracht moet worden vanuit de activiteit van de ziel, wanneer je het nodig hebt. Als gegeven is het menselijk bewustzijn tegenwoordig gespleten in objecten subjectbewustzijn. Kennis is dus verdeeld in ik en wereld, vorm en materie.
Het denken heeft in eerste instantie als waarneming wat de zintuigen het geven; het is dus gebonden aan de zintuigen. Dit geldt zowel voor triviale alledaagse kennis als voor wetenschappelijke kennis, behalve dat de laatste veel preciezer en methodischer is dan de eerste. De mens verschijnt hier alleen als een probleem, om het zo te zeggen, dat zoveel mogelijk wordt uitgesloten voor zover het de methode van kennis betreft. De mens als kennend ik wordt zo opgeofferd aan het wetenschappelijke streven naar objectiviteit.

Rudolf Steiner gaat het echter om een aanschouwing van het menselijke wezen zelf. Hij stelt juist het kennende ik centraal in de vraag naar de werkelijkheid.

Waar ik naar kijk in de wereld van de zintuigen is, naast zijn begrip, het ding waarnaar gekeken wordt, de aanschouwing. Als ik de blik van de kennis omdraai en op zoek ga naar de aanschouwing van het ik, ervaar ik aanvankelijk een diepe machteloosheid. Er is niets om naar te kijken, er is een beangstigende leegte.

Wat er wel is, zijn de voorstellingen van zintuiglijke waarnemingen. Het zijn herinneringen aan kennis ervaringen van het ik waarin het zichzelf vergat. Met andere woorden: er is geen substantie van het ik waarnaar gekeken kan worden. De verbindende schakel naar de schepping van de substantie van het ik is het reine denken. Wanneer het ik zuiver denkt, heeft het enerzijds een reine, d.w.z. zintuigvrije en herinneringsvrije inhoud, en is het anderzijds zelf de activiteit van het reine denken. Als ik zuiver denk, betekent dit dat ik niets anders denk dan precies wat ik van plan ben te doen. Het is denken als daad! Het schept zichzelf als geestsubstantie en overstijgt zo zijn huidige zelf-zijn in ongekende mate. Meditatief kan ik dan herkennen dat rein denken de vorm van het ik is en dat zijn materie liefde is. Liefde is het enige geldige en werkzame motief voor deze kennisdaad. Het ik bevrucht zichzelf met de kennis van het zuivere begrip van het ik en leeft als een individueel ik in zijn begrip. Het is ik. Zijn bestemming is kennis, zijn vorm is menselijke en kosmische intelligentie, het is volledig liefde.
Dit maakt duidelijk dat de schepping van de ik-kracht liefde is, het is kosmische liefde.
De vrijheid om het te verkrijgen is alleen mogelijk op aarde.

Wie er von Liebe nur beweget
Sich ganz uns hingegeben hat,
und in die Erde sich geleget
Zum Grundstein einer Gottesstadt.

Novalis, Geistliche Lieder

Wie is Mieke Mosmuller?

Mieke Mosmuller is arts, schrijfster en filosofe. Zij schrijft over actualiteiten die raken aan haar filosofisch-spirituele ontwikkelingsweg die zij startte in 1983…

Volgende seminar

30-03-2026 t/m 01-04-2026
In de week voor Pasen bezoeken wij de Kathedraal van Chartres onder leiding van Mieke Mosmuller. We overnachten in de herberg St. Yves, welke zich direct naast de Kathedraal bevindt.

Meer artikelen

Nieuw boek