Mensenziel…

Het Sprookje, J.W. Von Goethe

De man met de lamp leidde nu de schone, maar altijd nog star voor zich heen kijkende jongeling van het altaar naar beneden en naar de koperen koning. Aan de voeten van de machtige vorst lag een zwaard in een koperen schede. De jongeling omgordde zich ermee.
‘Het zwaard aan de linkerzijde, de rechterzijde vrij!’ riep de machtige koning.
Daarna gingen ze naar de zilveren, die een scepter aan de jongeling aanbood. Deze greep die met de linkerhand en de koning zei met welgevallige stem:

‘Weid de schapen!’
Toen ze bij de gouden koning kwamen, drukte hij met vaderlijk zegenend gebaar de jongeling de eikenkrans op het hoofd en sprak:
‘Erken het hoogste!’

De oude man had tijdens deze rondgang de jongeling opmerkzaam bekeken. Na het omgorden van het zwaard verhief zich zijn borst, zijn armen kwamen in beweging en hij trad met zijn voeten steviger op de grond.
Terwijl hij de scepter in de hand nam, scheen zijn kracht milder te worden en door een onuitsprekelijke aantrekkingskracht nog machtiger te worden.
Toen echter de eikenkrans zijn lokken sierde werden zijn gezichtstrekken levendig, zijn ogen glansden van onuitsprekelijke geest en het eerste woord van zijn mond was: ‘Lelie!’
‘Lieve Lelie!’ riep hij, toen hij langs de zilveren trappen haar tegemoet haastte – want ze had vanaf de tinnen van het altaar zijn reis gadegeslagen.
‘Lieve Lelie! Wat kan de man, voorzien van alles, zich kostelijkers wensen dan de onschuld en de stille toeneiging die jouw boezem mij tegemoet brengt. Oh! Mijn vriend,’ ging hij verder, terwijl hij zich tot de oude wendde en de drie heilige beelden aankeek, ‘heerlijk en veilig is het rijk van onze vaderen, maar je hebt de vierde kracht vergeten, die nog eerder, algemener en zekerder de wereld beheerst: de kracht van de liefde.’
Met deze woorden viel hij het schone meisje om de hals; ze had de sluier weggeworpen en haar wangen kleurden zich met het schoonste onvergankelijkste rood…
Daarop zei de oude man glimlachend:
‘De liefde heerst niet, maar zij vormt en dat is meer.’

Door deze plechtigheid, het geluk, de verrukking, had men niet bemerkt dat de dag volledig aangebroken was, en nu vielen plotseling het gezelschap, door de open poort, geheel onverwachte dingen op. Een grote, met zuilen omgeven plein vormde de voorhof. Aan het eind zag men een lange en prachtige brug, die met vele bogen over de rivier reikte. Ze was aan beide zijden gemakkelijk en prachtig ingericht met zuilengangen voor de wandelaars, waarop zich al vele duizenden bevonden en bedrijvig heen en weer gingen. De grote weg in het midden was door kudden en muildieren, ruiters en wagens vol, die aan beide zijden zonder elkaar te hinderen heen en weer gingen, in stromen. Ze schenen zich allen over het gemak en de pracht te verwonderen en de nieuwe koning met zijn gemalin was over de beweging en het leven van dit grote volk zo verrukt als hun wederzijdse liefde hen gelukkig maakte.

‘Gedenk de slang met ere!’ zei de man met de lamp. ‘Je bent haar het leven, en jouw volkeren zijn haar de brug schuldig, waardoor deze beide oevers pas tot landen worden en met elkaar verbonden. Die zwemmende en lichtgevende edelstenen, de resten van haar opgeofferde lichaam, zijn de grondpijlers van deze heerlijke brug. Daarop heeft zij zichzelf gebouwd en zal zij zichzelf in stand houden.’

Men wilde juist de opheldering van dit wonderbaarlijke geheim van hem vragen, toen vier mooie meisjes door de poort van de tempel binnen kwamen. Aan de harp, het zonnescherm en de veldstoel herkende men direct de begeleidsters van de Lelie, maar de vierde, mooier dan de drie, was een onbekende, die schertsend zusterlijk met hen door de tempel zich haastte en de zilveren treden opkwam.
‘Zul je in de toekomst mij meer geloven, lieve vrouw?’ zei de man met de lamp tot de schoonheid. ‘Het is een geluk voor jou en ieder schepsel dat zich deze morgen baadt in de rivier!’
De verjongde en mooi geworden oude vrouw, bij wie van de vormen geen spoor meer over was, omvatte met verlevendigde jeugdige armen de man met de lamp, die haar liefkozingen met vriendelijkheid opnam.
‘Wanneer ik te oud voor je ben,’ zei hij glimlachend, ‘mag je vandaag een andere man kiezen. Vanaf vandaag is geen enkel huwelijk meer geldig dat niet opnieuw wordt gesloten.’ ‘Weet je dan niet,’ antwoordde ze, ‘dat ook jij jonger geworden bent?’
‘Het doet me plezier wanneer ik voor jouw jonge ogen verschijn als een wakkere jongeling. Ik neem je hand opnieuw aan en wil graag met jou de volgende millennia verder leven.’

De koningin heette haar nieuwe vriendin welkom en steeg met haar en haar overige speelgenootjes van het altaar omlaag, terwijl de koning te midden van de beide mannen naar de brug keek en opmerkzaam het gewemel van het volk beschouwde.
Maar zijn tevredenheid duurde niet lang want hij zag iets wat hem een ogenblik verdriet deed. De grote reus, die zich nog niet van zijn morgenslaap scheen te hebben ontdaan, tuimelde over de brug en veroorzaakte daar grote wanorde. Hij was zoals gewoonlijk slaapdronken opgestaan en dacht dat hij zich in de bekende bocht van de rivier baadde, maar in plaats daarvan vond hij het vasteland onder zijn voeten en stapte op het brede plaveisel van de brug. Hoewel hij nu onmiddellijk onhandig rond liep tussen mensen en vee, werd zijn tegenwoordigheid wel vol verbazing door allen bekeken, maar door niemand gevoeld. Toen hem echter de zon in de ogen scheen en hij de handen ophief om ze uit te wrijven, ging de schaduw van zijn reusachtige vuisten achter hem zo krachtig en onhandig tussen de menigte heen en weer, dat mensen en dieren in grotere aantallen tegen elkaar vielen, beschadigd werden en het gevaar liepen om in de rivier te worden geslingerd.

Toen de koning deze wandaad zag, greep hij met een onwillekeurige beweging naar het zwaard, maar bezon zich en keek rustig eerst naar zijn scepter, dan naar de lamp en de roeispaan van zijn gezellen.
‘Ik raad je gedachten.’ zei de man met de lamp. ‘Maar wij en onze krachten zijn tegenover deze machteloze machteloos. Blijf kalm, hij schaadt voor de laatste keer en gelukkig is zijn schaduw van ons afgekeerd.’
Inmiddels was de reus steeds dichterbij gekomen, had in verwondering over datgene wat hij met zijn open ogen zag zijn handen laten zakken, deed geen schade meer en trad starend in de voorhof binnen.

Juist ging hij af op de deur van de tempel, toen hij plotseling in het midden van de hal vastgehouden werd aan de bodem. Hij stond daar als een kolossale machtige beeldzuil van rood prachtig glanzend steen, en zijn schaduw toonde de uren die in een kring op de bodem erom heen, niet in getallen maar in edele en betekenisvolle beelden, waren ingelegd.

De koning was niet weinig verheugd om de schaduw van het monster in een nuttige richting te zien; en niet weinig verwonderd was de koningin die, toen ze met de allergrootste heerlijkheid versierd met haar jonkvrouwen uit het altaar omhoog kwam, het zeldzame beeld zag dat het uitzicht uit de tempel naar de brug bijna toedekte.
Intussen was het volk achter de reus aangedrongen en omdat hij stilstond hadden ze hem omgeven en zijn verandering verbaasd aangezien. Nu wendde de menigte zich naar de tempel, die ze nu pas gewaar scheen te worden en drong zich in de richting van de poort.

Op dit ogenblik zweefde de havik met de spiegel hoog over de dom, ving het licht van de zon op en wierp het over de op het altaar staande groep. De koning, de koningin en hun begeleiders verschenen in het schemerende gewelf van de tempel, verlicht door een hemelse glans, en het volk viel neer op het aangezicht.

Toen de menigte zich weer hersteld had en men opstond was de koning met de zijnen in het altaar omlaag gestegen om door verborgen ruimten naar zijn paleis te gaan, en het volk verstrooide zich in de tempel, om de nieuwsgierigheid te bevredigen. Het bekeek de drie rechtopstaande koningen met verwondering en eerbied, maar het wilde eens te meer weten wat voor een klomp onder het kleed in de vierde nis verborgen mocht zijn. Want wie het ook mocht zijn geweest, een goed bedoelde bescheidenheid had een prachtig kleed over de ineengezonken koning gelegd, dat geen oog doordringen kon, en geen hand kon wagen weg te nemen.

Er zou geen eind aan het kijken en de bewondering van het volk zijn gekomen, en de opdringende menigte zou zich in de tempel zelf hebben verdrukt, ware het niet dat hun opmerkzaamheid weer in de richting van het grote plein was getrokken.

Onvermoed vielen goudstukken als uit de lucht klinkend op de marmeren vloerplaten, de dichtstbijzijnde wandelaars stortten zich erop, om zich die te bemachtigen. Enige malen herhaalde zich dit wonder en wel nu eens hier en dan eens daar. Men begrijpt wel dat de wegtrekkende dwaallichten hier nog een keer plezier maakten en het goud uit de ledematen van de ineengezonken koning op een vrolijke wijze verkwistten.

Begerig liep het volk nog een tijdlang heen en weer, verdrong zich en duwde elkaar omdat er geen goudstukken meer omlaag vielen. Tenslotte liep het langzamerhand uiteen en ging ieder zijns weegs, en tot op de dag van vandaag wemelt de brug van wandelaars en de tempel is de meest bezochte op de hele aarde.

Wie is Mieke Mosmuller?

Mieke Mosmuller is arts, schrijfster en filosofe. Zij schrijft over actualiteiten die raken aan haar filosofisch-spirituele ontwikkelingsweg die zij startte in 1983…

Volgende seminar

30-03-2026 t/m 01-04-2026
In de week voor Pasen bezoeken wij de Kathedraal van Chartres onder leiding van Mieke Mosmuller. We overnachten in de herberg St. Yves, welke zich direct naast de Kathedraal bevindt.

Meer artikelen

Vriendschap

In mijn romans komt tot uiting hoe ik de ware vriendschap zie. Mensen met verbindingen door levens heen incarneren zich op aarde en vinden elkaar.

Lees meer

Nieuw boek