Zoek het licht dat opgaat in het westen – Een eerbetoon aan het boek van Mieke Mosmuller

Precies 30 jaar geleden verscheen in 1994 het eerste boek van Mieke Mosmuller met de titel Zoek het Licht dat opgaat in het westen.¹ Het is het kentheoretische fundament voor haar verdere boeken. Men vindt daarin geen abstracte theorie, maar na te voltrekken stappen om te komen tot het kennen van het eigen zelf. Het verstand, dat zijn grootte in het uiterlijke wetenschappelijke en technische weten toont, staat twijfelend en vragend voor zijn eigen spiritualiteit. Weliswaar heeft dit westerse verstand zijn oorsprong bij de Griekse filosofen en in de christelijke kloosterscholen, het kan echter geen brug vormen naar de werkelijke geest. Hoe dat gaat, wordt in dit boek uitgevoerd. Zijn betekenis voor de spirituele opstanding van de verstarde geest van het avondland is daarom niet hoog genoeg in te schatten. Hierna zullen de belangrijkste stadia van deze omvorming geschetst worden. Aan het begin staan verwonderen, twijfel en vragen.

 

Proloog

Ik begeef mij in de houding van het verwonderen, om met mijn onbevangen verstand de eerste vraag te zoeken:

“Als ik echter al mijn meningen, voorkeur, kennis, buiten beschouwing laat, mij hierdoor niet laat leiden, als ik uitsluitend het raadsel aanschouw van waar met filosoferen te beginnen, heb ik dan niet al in onbevangenheid de eerste vraag, in het raadsel besloten liggend, aanschouwd? Een vraag die ’eerder is dan de eerste vraag’ wordt dan zichtbaar, namelijk de vraag: Met welke vraag vangt een filosofie vanuit verwondering aan?” (blz. 23)

Wanneer ik niet willekeurig een vraag uit mijn subject wil halen, moet ik proberen om mijn verzamelde weten en mijn subjectieve oordelen te vergeten en mijn bewustzijn inhoudsloos te maken. Maar zo kom ik nooit tot een vraag en ik begin te twijfelen:

“…en ik moet ervaren hoe ik als vrager zonder vragen veroordeeld ben tot een eeuwig Zijn in het Niets, geen stap mag ik zetten, ik treed in volledig vraag-zijn terug en kan tot in de eeuwigheid geen aanvang maken met het denken.” (blz. 26)

Wanneer ik met de filosofie beginnen wil zonder van mijn subjectieve oordelen uit te gaan, moet er dus een eerste vraag zijn, die vanuit zichzelf de eerste vraag is:

“Kan ik met zekerheid de eerste vraag stellen, zeker wetend dat daarvóór geen andere vraag ligt?” (blz. 27)

Hoe kom ik tot deze vraag? In de natuurwetenschap heb ik geleerd, dat er geen definitieve waarheid kan zijn. Ieder weten is slechts hypothetisch en voorbijgaand geldig, net zolang tot een passendere verklaring gevonden is. De wetenschapper gaat uit van de premisse, dat onze innerlijke voorstellingswereld nooit helemaal kan overeenstemmen met de uiterlijke werkelijkheid, maar dat onze voorstellingen en de werkelijkheid elkaar slechts kunnen benaderen. De twijfel is dus een vast bestanddeel van de wetenschappelijke grondhouding. Bepaalt de natuurwetenschapper dat de twijfel absoluut is, de spiritueel zoekende ziet deze als voorbijgaand:

“…twijfel als geduld, als eerlijk niet-weten, als besef een vraag te hebben waarop het antwoord nog niet zeker is.” (blz. 34)

Uitgaande van de twijfel richt ik mijn bewustzijn naar binnen en vind allereerst mijn voorstellingswereld.

“Ikzelf leef in die beelden in activiteit of in lijdzaamheid; ik ben degene die in die beelden iets bewerkt, iets ervaart, iets herinnert, alles betrekt zich op mijn ik terwijl ik tegelijkertijd beleef dat de voorstellingen zich buiten mijn wil aan elkaar rijgen.” (blz. 40)

Ook wanneer de voorstellingen in mijn innerlijk betrekking hebben op mijn zelf, op mijn gedachten, mijn gevoelens en mijn daden, ben ik niet betrokken bij het tot stand komen ervan. Zij treden als vanzelf, zonder dat ik actief word, als herinneringen, en associaties in mij op. Zelfs in mijn actieve uiterlijke handelingen, waar handelingsimpuls en resultaat grijpbaar en konkreet zijn, blijft de totale afloop van de wil tussen besluit en daad in het onbewuste. De blik naar binnen roept zo een zeker gevoel van onmacht op:

“Met deze drie gebieden in het bewustzijn is mijn menselijke onmacht gekarakteriseerd: wat ik bewust weet, dat doe ik niet, en wat ik doe daarvan heb ik geen bewust weten. Tussen deze beide polen leeft mijn wisselende vreugde en mijn leed.” (blz. 42)

De onmacht komt voort uit het gegeven, dat ik mij in het gewone innerlijke bewustzijn slechts als gespiegelde voorstelling, als virtueel, beleef en niet als onomstotelijke realiteit. De innerlijke voorstellingen zijn zonder mijn eigen activiteit tot stand gekomen. Ze liggen weliswaar helder voor mij, maar hoe ze ontstaan zijn, dit proces ligt in eerste instantie in het donker.

“Wij hebben onze blik naar binnen gericht en nemen waar wat er buiten onze activiteit om, als een gegeven inhoud in het bewustzijn leeft. We ‚zien’ dan onze onmacht, onze onvrijheid. Echter, bij het waarnemen ontsnapt op deze wijze altijd de activiteit zelf aan de aandacht. Immers de aandacht – de innerlijke aandacht – is gericht op het waarnemen van het bewustzijn. Wij nemen dan ook datgene waar, waar wij onze aandacht op gericht hebben. Maar de activiteit van het richten van de aandacht zelf, het waarnemen zelf, de waarnemer zelf, ontsnapt aan de waarneming.” (blz. 42)

Onze opmerkzaamheid is steeds op de inhoud gericht en nooit op de actor, die innerlijk waarneemt en denkt.

“Deze vorm van zelfwaarneming nu is van nature niet gegeven. Men kan zijn leven leven en de dood sterven zonder deze zelfwaarneming ooit te hebben toegepast. Deze stap behoeft de mens niet te zetten en toch is het een stap die noodzakelijk is, wil men de menselijke onmacht in zijn uiterste beleving kennen, ten einde hier vervolgens in op te staan.” (blz. 43)

In eerste instantie valt het zwaar om deze stap na te voltrekken, omdat dit richten van de opmerkzaamheid op de innerlijke actor volledig ongewoon is. Kan ik mijzelf in mijn denken zelf observeren? Slechts door intensief oefenen is deze hindernis te overwinnen en kan ik de innerlijke actor leren kennen:

“Hij vindt het gebied waar het menselijke denken echt leeft, hij beleeft de bron van waaruit alle activiteit ontspringt.” (blz. 44)

Mijn introspectie geeft het volgende beeld: Mijn bewustzijn is gevuld met voorstellingen van gedachten, gevoelens en wilsimpulsen zonder zich ervan bewust te zijn waar deze vandaan komen en hoe ze ontstaan. Dan ontdek ik een actief punt in mijzelf, dat in het dagelijks bewustzijn niet werd waargenomen. Hiermee kan ik de hele voorstellingsinhoud uit mijn bewustzijn verwijderen en een voorstellingsleegte in mij oproepen. Mij wordt bewust, dat slechts ikzelf een aanzet kan geven. Ik moet de moed opbrengen, mijzelf uit de onschuld van de leegte, vanuit het niet-kennen geboren te laten worden en moet mijn denken in gang zetten. Maar kan ik mijn denken vertrouwen, dat ik tot nu toe altijd van buiten beleefd heb? Deze twijfel aan het denken kan ik overwinnen, wanneer ik het volledig en van binnen uit kan kennen.

“De eerste vraag kan niet anders zijn dan de vraag naar het denken zelf.” (blz. 55)

 

Philosophia

Het doel is echter niet een theorie over het denken, zoals de natuurwetenschap met hypothesen werkt, waaraan altijd een zekere onzekerheid kleeft. Slechts wanneer in het kennen alle twijfels oplossen, kan ik zeker zijn van mijn denken. Daarbij helpt mij de voorstelling, dat het wezen van het denken zich onderscheidt van het wezen van al het overige en ik stel mijzelf de vraag, welke plaats mijn denken heeft te midden van al het overige?

“Daartoe begeef ik mij opnieuw naar het punt van overgang tussen niet-denken en wel-denken. Ik bemerk dan dat het gedachteleven, het voorstellingsleven, de associaties, mijn leegte in het niet-denken willen opvullen. Zij dringen zich aan mij op en verstoren mijn gevoel van vrijheid in keuze tussen niet en weldenken. Dit gedachteleven is dus niet het wel-denken.” (blz. 59)

Door inspanning kan ik dit associatieve denken weghouden en de beslissing nemen, actief te willen denken. Maar welke inhoud moet ik denken? Wanneer ik een inhoud uit al het overige denk, bestaat het probleem dat de verhouding van het denken tot al het overige tot nu toe niet opgehelderd is. Omdat het mij echter nu niet om het kennen van al het overige gaat, maar om het observeren van het denken bij het in gang zetten ervan, kan ik een willekeurige inhoud kiezen. Ik zet mijn denken bij voorbeeld in gang door het begrip van de cirkel te denken en probeer te observeren, wat in mijn bewustzijn gebeurt.

“Hier heb ik het punt gevonden in de wereld waar ik zelf schepper ben. Het is niet meer dan een punt, maar een punt waar ik voor het eerst weet: hier is iets gevonden waarna niets meer hetzelfde is als daarvoor.” (blz. 70)

De twijfel, die in het verstandsdenken zo sterk heerst, is verdwenen; want mijn ik ervaart bij het in gang zetten van het denken, dat het alleen maar denken kan wat het in volle helderheid al ingezien heeft. Daar is dan geen tweedeling meer tussen object en subject, tussen denker en gedachte. Mijn actieve ik metamorfoseert zich in het begrip van de cirkel en ik kan mijzelf daarbij tegelijkertijd observeren. Denken en waarneming vallen samen.

“Wanneer het licht van het denken zichzelf beschijnt, wordt het uit de duisternis, waar het steeds als schijn wordt beleefd, verlost en tot een nieuwe waarneembare substantie, die immaterieel is, … Het denken als metamorfose van het ik wordt tot Zijn.” (blz. 72)

Mieke Mosmuller schrijft niet theoretisch over de scheppende kracht van dit nieuwe denken, maar laat deze denkkracht in haar hele boek ook praktisch zien. Het is een zelfstandige filosofie van het denken over het denken. Zo wordt de categorieënleer van Aristoteles verder gedacht, terwijl de categorieën wezen en verschijning uit het denken van het ik ontwikkeld worden:

“Omdat het ik echter zowel schepper als beschouwer is, is het een actie waardoor het ik zichzelf als wezen tot verschijning brengt. Dit zijn twee categorieën – wezen en verschijning – die aan de tien Aristotelische categorieën moeten worden toegevoegd. De tien categorieën leveren de letters van het alfabet waarmee de wereld, al het overige, wordt beschreven, begrepen, doordacht. De twee nieuwe categorieën, wezen en verschijning, door Hegel geïntroduceerd, geven de beide ontbrekende categorieën, naar welke het denken zelf, het ik zelf beoordeeld wordt. Deze twee categorieën zijn het ultieme transcendente criterium: het wezen van het ik transcendeert en komt tot verschijning in het denken over het denken.” (blz. 72/73)

 

Westers en oosters denken

Welk begin hebben andere filosofen gevonden? Hoe zijn Hegel, Heidegger, Krishnamurti en Rudolf Steiner hun filosofie begonnen? Mieke Mosmuller licht citaten toe uit hun geschriften en brengt deze in relatie met haar eigen beschrijving van het in gang zetten van het denken. Daarbij staat de als Brahmaan geboren Krishnamurti in contrast met de westelijke denkers; voor hem is het denken slechts een te overwinnen probleem. Hij wil “terug naar de onschuld van het niet-weten.” (blz. 103) Deze weg correspondeert niet met de mens uit het avondland, die de “missie van de abstractie” moet verwerkelijken:

“Het volle menselijke bewustzijn leeft in het denken, al is het abstract. Hij zal dáárin het aangrijpingspunt moeten vinden voor zelfkennis wil hij niet op ondoorzichtige wegen belanden. Dat omstreden denken zal hij moeten leren liefhebben ten einde het werkelijk te leren kennen.” (blz. 103)

 

De wetenschap

In een volgend lang hoofdstuk wordt de “…de brug tussen het zichzelf begrijpende denken en het in waarheid begrijpen van al het overige” (blz. 117) gezocht. Werd tot hiertoe de zekerheid en waarheid in het eigen denken gevonden, nu komt de vraag op, of en hoe men tot waarachtige kennis van de wereld kan komen? Op dit punt treedt weer de twijfel aan het eigen denken op, die al lang aan het westerse denken kleeft. Eerst verdween in de copernicaanse wending de betekenis van de mens, doordat hij tot stofkorrel in een lege kosmos muteerde, dan wilde Francis Bacon de mens als subject uit het kenproces uitschakelen en tenslotte construeerde Kant een afgrond tussen de mens en het kennen van de werkelijkheid.

Deze twijfel kan niet theoretisch, maar alleen door empirische observatie overwonnen worden. Zo stel ik vast, dat mijn in het denken actieve ik tijdens een observatie met de zintuigen niet waargenomen wordt. Ik ben zo sterk met de zintuigelijke inhoud verbonden, dat het denken aan mijn opmerkzaamheid ontsnapt. Dat mijn ik bij het vormen van een zintuigelijke voorstelling actief is, wordt gewoonlijk pas achteraf herinnert. Wanneer het bewustzijn van het actieve ik, zoals ik het bij het in gang zetten van het denken kon ervaren, ook bij de zintuigelijke waarneming behouden zou kunnen worden, dan zou de twijfel, de afgrond tussen mens en wereld overwonnen worden. Daarvoor is de zelfwaarneming van het denken de kiem, die in iedere mens potentieel is aangelegd en die ontwikkeld moet worden. Dat is mogelijk door meditatieve denkoefeningen, die ertoe moeten leiden, de eigen denkkracht waar te nemen en te versterken.

“Bij een steeds verder gevoerde versterking van het denken op boven beschreven wijze komt dán het moment dat bij een aandachtig gebruik van de zintuigen óók deze denkkracht waargenomen wordt.
… De bewegende, stromende denkkracht is de vereniging tussen het ik met zijn begrippen en de wereld met haar wetmatigheden, omdat zij beide is. De denkkracht leeft als werkelijkheid in de wetmatigheden en in de begrippen tegelijk. In het menselijke bewustzijn ontmoet de wereld zichzelf.” (blz. 147)

Wanneer de denkkracht in de waarneming beleefd kan worden, wordt duidelijk, hoe het denken steeds onbewust met het waarnemen verbonden was. In het denken zijn het de categorieën van Aristoteles, die de chaos van de zintuigindrukken tot zinvolle voorstellingen vormen. Deze vormende denk-categorieën leven echter niet alleen in ons denken, maar vormen ook als scheppende krachten de materie. De denkkracht wederom leeft enerzijds in de waarneming en belicht anderzijds de categorieën in ons denken.

“Als de denkkracht begint te spreken, aanschouwen we dat die kracht levend de werkelijkheid vormt, en tevens onze begrippen vormt en belicht. ..Door de sprekende denkkracht worden de begripscategorieën tot sleutel op de deur die geest en wereld scheidt.” (blz. 150)

 

De liefde

Deze scheppende denkkracht geeft ook het menselijke handelen vorm. Ook hier gaat het er om, de twijfel te overwinnen en zekerheid in zijn activiteiten te ontwikkelen.

“Waarachtig goede mensen worden wij echter door onze handelingen. Kunnen wij ook op dit gebied zekerheid vinden?” (blz. 180)

De liefde verwerkelijkt zich op verschillende niveau’s, bij voorbeeld als liefde voor dingen, liefde voor de familie of liefde voor het volk. Daarbovenuit bestaat een hogere vorm van liefde, de liefde voor het zuivere denken:

“De beleving van het in schoonheid scheppende ik, het ik dat zich ontdaan heeft van de banden aan de zintuigen, de banden aan het lichaam; het ik dat zichzelf zo gereinigd heeft dat het schept en beleeft in het zuivere zintuigvrije denken.” (blz. 188)

Zoals boven beschreven, kan dit zuivere denken als bewust geworden levenskracht beleefd worden. Het staat dus niet abstract naast het lichamelijke leven, maar doordringt al het zintuigelijke op geestelijke wijze. Wanneer het lukt, zijn handelingsimpulsen uit deze zuivere denkwereld te putten, dan heeft men het middel tot loutering van de instincten en tot een handelen uit liefhebbend denken of denkende liefde.

____________

1 En in de Duitse taal: Suche das Licht, das im Abendlande aufgeht. Voor de Nederlandse vertaling is gebruikt gemaakt van de uitgave uit 2013, Uitgeverij Occident.

Wie is Mieke Mosmuller?

Mieke Mosmuller is arts, schrijfster en filosofe. Zij schrijft over actualiteiten die raken aan haar filosofisch-spirituele ontwikkelingsweg die zij startte in 1983…

Volgende seminar

30-03-2026 t/m 01-04-2026
In de week voor Pasen bezoeken wij de Kathedraal van Chartres onder leiding van Mieke Mosmuller. We overnachten in de herberg St. Yves, welke zich direct naast de Kathedraal bevindt.

Meer artikelen

Michael

We zouden niet weten dat we in een Michael-tijdperk leven, als Rudolf Steiner dat niet had geopenbaard. In zijn laatste verzamelde ‘Leitsätze’ heeft hij zeer

Lees meer

Nieuw boek